1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 153
147 invloeden hunne werking in den loop van eenige generaties kunnen ophoopen, daar in 't algemeen alleen de beste individuen de beste zaden zullen voortbrengen. De fluktueerende variabiliteit is alzoo een verschijnsel van de physiologie der voeding, terwijl de uitwendige omstandigheden der mutabiliteit nog geheel onbekend zijn. Tuinvariëteiten. In de praktijk worden de tuinvariëteiten onderscheiden, naar gelang men te doen heeft met schijnbaar invariabele of met sterk fluktueerende nieuwe vormen. In het eerste geval is alleen isoleeren noodig en het zuiveren van door kruising ontstane verontreinigingen. Gelukt dit gemakkelijk, dan zijn zij van 't begin aan gereed en constant, en behoeven alleen eenige jaren van vermeerdering om in den handel gebracht te worden. In het tweede geval is het anders. Hierbij komen ze zelden voor de eerste maal tot volle ontwikkeling. Veel vaker gebeurt het, dat ze in "t begin maar zeer weinig ontwikkeld zijn. De nieuwigheid verraadt zich vaak, zooals men zegt, door een zeer gering spoor of aanduiding. Beschouwen we dit echter van wetenschappelijk standpunt, dan moeten wij ze blijkbaar als een minus-variant, als een extreme variant van de nieuwe eigenschap in ongunstige richting opvatten. Zoo'n variant van het nieuwe kenteeken zal by 't uitzaaien in den tuin spoedig tot de gemiddelde waarde van zijn „Abanderungsspielraum" komen. Men krijgt tusschenvormen met twee om den voorrang strijdende antagonistische eigenschappen en met opvallend sterke, door dezen strijd bepaalde, variabiliteit (tusschenrassen — middenrassen). In het eerste geval berust de nieuwigheid op een verlies resp. latentie van een eigenschap der moedersoort. Waar haar ontstaan voldoende bekend is, vond deze stootsgewijs plaats. In 't tweede geval geschiedt de kunstmatige productie door langzamerhand voortgaan. Het eerste begin blijft onbekend. De leer van de eenzijdige stijging der variabiliteit door uitzoeken berust, zoover tot nu toe bekend is, wezenlijk op het verkrijgen van erfeiyke rassen met eigenschappen, die tot aan de proeven latent waren, ' Zulke rassen zijn hoogst variabel en verraden zich, wanneer ze toevallig ontstaan zijn, door geringe anomalieën, die zich door teelkeus gemakkelijk „aufarbeiten" lassen. Zij verwijderen zich daarbij snel van het type der soort, maar alleen daarom, omdat zij daardoor hun nieuw type nabijkomen; zoodra zij deze door isoleering bereikt en door selectie overschreden hebben, is het even moeilijk, ze verder te verbeteren, evenals bij elk ander veredeld ras. Willekeurig ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's