1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 152
M6 Uit de genomen proeven bleek: 1. Hoe jonger een plant is, des te grooter is de invloed der uitv^endige omstandigheden op haar variabiliteit, d. i. op de plaats, die hare bijzondere eigenschappen in de variabiliteitscurven van de geheele cultuur of 't ras zullen innemen. 2. In verband daarmee heeft de voeding van het zaad op de moederplant, ten minste zeer vaak een grooteren invloed op de variabiliteit dan de voeding gedurende de kieming en het vegetatieve leven. Zoo volgt het principe van bemesting der moederplant, d.i. niet alleen aan de planten, die men sterk bemest, maar vnl. in de volgende, uit haar zaad voortkomende, generatie, is de invloed van de bemesting op de variabiliteit te bestudeeren. 1". De variatie der vruchtlengte volgt de wet van Quetelet. Elke getallenrij (curve) wordt alzoo door drie waarden bepaald. Dit zijn de mediane, M, en de beide quartalen Qi en Q2. 2. Op de gemiddelde vruchtlengte heeft zoowel de voeding als de selectie grooten invloed en wel door een matig sterk mesten der moederplanten meer dan door 1 —3-malige selectie van exemplaren met lange vruchten als zaaddragers, 't Sterkst echter door verscheidene jaren cultuur in kiempotten en het aanbrengen van veel mest in de potten der kiemen fkiempotcultuur zonder teeltkeus). 3. De amplitude der variatie ( Q = -^-~—^) neemt slechts onbeduidend toe, zoolang voeding en selectie in denzelfden zin werken. Zoodra deze echter in tegengestelden zin werken, neemt blijkbaar de wisseling der levensvoorwaarden en daarmee de variatiewijdte toe (kortvruchtig ras). 4". De variatiecurven blijven, ondanks de zeer belangrijke verschuivingen van de toppen, in hoofdzaak symmetrisch (Qi=Q2). De afwijkingen vallen met weinige uitzonderingen binnen de onvermijdelijke waarnemingsfout. Selectie en voeding hebben in denzelfden zin invloed op de planten. De vraag of een eigenschap in een bepaalde mate van haar gemiddelde waarde afwijkt, hangt eenerzijds van de selectie d. i. alzoo van de eigenschappen der ouders en grootouders, anderzijds van de voeding, d. i. alzoo van de inwerking van uitwendige omstandigheden op 't individu zelf af De eigenschappen der voorvaderen werden echter op dezelfde wijze door de „Lebenslage" bepaald en zoo volgt, dat de verschijnselen der variabiliteit in engeren zin, d. i. de individueele afwijkingen van het gemiddelde der soort, geheel van de levensvoorwaaiden afhangen. Daarbij dient gelet op het feit, dat de voedings-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's