1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 60
54 zijn, dat die behandeling integendeel zwaar verplichtend is, zooals Prof. H. Treub beweert. Het vraagstuk wordt door de volgende hoofdbeginselen der Katholieke zedenleer beheerscht. 1". Gij zult niet dooden. 2". Het uterine leven moet evenzeer geëerbiedigd worden als het extra-uterine. 3. Slechte middelen worden nooit geheiligd door het doel. Dat het schootleven minder onder de wet „non occides" zou vallen of dat het hier een onrijpe vrucht geldt, zijn reden, die wel niemand gaarne voor zijn rekemng zal nemen. Immers, behalve dat het enorme verschil tusschen de levende vrucht in den moederschoot en het pasgeboren kind philosophisch niet te verdedigen is, zouden dergelijke stelhngen de deur wagenwijd openzetten voor de meest onzedelijke gevolgtrekkingen. Men bedenke: wat geschieden mag om het leven der moeder te redden, dat mag ook om andere reden, die even zwaar wegen, b. v. om de eer te redden. Het argument, dat de vrucht toch voor de geboorte moet sterven, houdt ook geen steek, want waarom mag dan het pasgeboren wicht niet worden opgeofferd, dat slechts eén stap verder is in zijn ontwikkehng, wanneer er reden voor is. Dr. Th. M. Vlaming zegt, dat Prof. Treub de zaak alleen uit medisch, het H. Officie daarentegen uit hooger liggend ethisch oogpunt beschouwt. Zijn meening is, dat de heerschappij over leven en dood van den nog ongeboren mensch, geheel en uitsluitend aan den waren en levenden God, geenszins echter aan Aesculaap, den denkbeeldigen god der geneeskunde, toebehoort. Krachtens dat beginsel is het veroorzaken of doen veroorzaken van „abortus" een zonde, al wordt deze met de aherbeste bedoeling geprovoceerd, want „het doel heiligt de middelen niet." Men kan tegenover zedelijkheidsbeginselen zijn zoogenaamd praktischen zin niet laten gelden, want dit geeft willekeur, zooals b. v. hier: Men houdt met het leven van het kind in 't geheel geen rekening. Prof. Treub komt nu nader op de zaak terug. Hij zegt: van een debat, in den juisten zin des woords, kan tusschen de beide heeren eenerzijds en mij anderzijds, niet of nauwelijks sprake zijn. Daartoe staan wij op te zeer verschillend standpunt. — De hoofdzaak van het verschil tusschen de heeren Vlaming, Van Oppenraay en mij ligt nu hierin dat zij, met het H. Officie, in het vei oorzaken of doen veroorzaken van abortus zien een overtreding van het gebod: „gij zult niet doodslaan," terwijl ik bij m.ijn meening blijf, dat zoodanige toepassing van het gebod, althans in het ons bezighoudende geval „be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's