1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 26
22
haald. In 1897 werden van 1114 zaden even zoovele rubrinervisplanten verkregen. De herhaling met andere zaden van O. rubrinervis, 1862 in getal, gaf eveneens alleen zuivere nakomelingen. In de jaren 1893, 1895 en 1896 werd O. nanella uitgezaaid. Een keer leverden 440 zaden hetzelfde aantal nanellaplanten, de tweede maal was hetzelfde bij 2463 zaden het geval. De derde maal werden van 36 exemplaren der O. nanella zaden verkregen, en uit deze 18000 planten verkregen die alle zuiver waren; slechts drie vertoonden tegelijk de kenteekens van de O. oblonga, waren alzoo alle weer mutanten van de tweede orde. Alleen voor O. lata, die geen pollen geeft (zij is zuiver vrouwelijk) laat zich het constant zijn der nakomelingen niet bewijzen. Zij is echter bij bestuiving met pollen van O. Lamarckiana vruchtbaar en levert in dit geval 15—20 o/o lata nakomelingen d. i. een aantal, dat overeenstemt met dat, wat men bij de constante mutanten waarneemt, wanneer ze ook door O. Lamarckiana bevrucht worden. Ook O. brevistylis en laevifolia bleken geheel constant te zijn. Maar de O. scintillans was geheel afwijkend. De planten, verkregen uit hare zaden na zelfbevruchting, zijn altijd zeer verschillend. Men krijgt 35—40 o/o, in andere gevallen ongeveer 70 o/o zuivere scintillansplanten, maar regelmatig daarnaast 8—68 o/o O. Lamarckiana en 7—21 o/o O. oblonga, terwijl O. nanella, lata en andere in enkele exemplaren optreden. De oorzaak van deze merkwaardigheid is nog onbekend. Zoo volgt de conclusie, dat in het algemeen de zonder elke bemiddeling uit Lamarckiana voorvaderen komende mutanten bij zelfbevruchting dadelijk geheel constant zijn, alleen dat ze, evenals O. Lamarckiana zelf, bij gelegenheid ook kunnen muteeren. Tot zoover het belangrijke eerste deel van het werk van De Vries. Het zal noodig zijn nog eens te recapituleeren, wat De Vries meent gevonden te hebben. De vorming van soorten vindt in de natuur volstrekt niet altijd plaats. De meeste elementaire soorten zijn volkomen immutabel en zijn dat misschien reeds sedert lang. Heeft echter de vorming van nieuwe soorten plaats dan is de eerste voorwaarde, dat de plant, die ze geven zal, in een mutatieperiode komt. Zij zal dan in staat zijn onder geschikte voorwaarden plotsehng nieuwe elementaire soorten voort te brengen. De mutatieperiode gaat voorbij en er volgt eene immutabele periode, die in het algemeen zeker veel langer duurt dan de eerste, anders zou men veel meer muteerende planten aantreiïen dan in werkelijkheid het geval is. De mutatieperiode kan echter in de nieuwe rustperiode
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's