1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 100
94 X 100 gedeeld door lengte bedraagt 46—56, doorgaans 50—54. Onder breedte van de hand wordt verstaan de afstand van de beide eindpunten der articulationes metacarpo-phalangeae, onder lengte wordt verstaan de afstand tusschen den top van den raiddenvinger en het midden van het radius-einde. De index der breede nagels, d. w. z. breedte X 100 gedeeld door lengte, bedraagt 100—120. Het bezit eener breede hand wordt door Kollmann chamaecheirie genoemd. De smalle hand is smal aan het handgewricht, smal in de middenhand; zij bezit lange, slanke vingers en heeft lange, smalle, gebogen nagels. De index van de smalle hand bedraagt 36'—45, doorgaans 36—40; die der nagels 60—66. Het bezit eener smalle hand wordt leptocheirie genoemd. Carus gaat in zijn onderscheidingen verder en neemt 4 grondvormen aan, n. I. de elementaire, de sensibele, de motorische en de psychische hand. De elementaire hand is breed en komt bij het kind regelmatig voor, terwijl de psychische hand lang en smal is, en steeds als edele en schoone vorm door den kunstenaar bij voorkeur wordt afgebeeld. Chamaecheirie en leptocheirie zijn geen eigenschappen zonder verband met de overige qualiteiten van het lichaam. Met alleen bleek, dat chamaecheirie hoofdzakelijk voorkomt bij korte menschen en leptocheirie bi] lange menschen, maar meer in het bijzonder werd verband aangetoond tusschen den vorm van de hand en dien van het gelaat. Indien althans de persoon van zuiver ras is, gaat breede hand met breed gezicht (chamaeprosopie), en gaat smalle hand met smal gezicht (leptoprosopie) gepaard. De vingertoppen van Corcelettes vertoonen smalle nagels en merkwaardig is het nu, dat ook daar, uit vermoedelijk gelijke periode, schedels zijn gevonden, welke leptoprosopie vertoonen, terwijl gelijke gelaatsvorm ook thans nog in die omgeving wordt aangetroffen. Deze verschillende vondsten pleiten — Kollmann legt daar terecht den nadruk op - voor een sedert p. m. 5000 jaar constant blijven van de raskenmerken bij den mensch en tegen een geleidelijke verandering van den mensch zooals de evolutietheorie verkoftdigt. Het kan dan ook niet verwonderen, dat de voorstanders der evolutietheorie aan Kollmann's vondsten en beschouwingen geen groote waarde willen hechten en dat nu en dan waarnemingen gepubliceerd worden, die, bij oppervlakkig onderzoek althans, schijnen te pleiten voor een geleidelijke en zelfs snelle wijziging der raskenmerken. Kollmann, die blijkbaar den naam van wetenschappelijk man niet gaarne verhezen wil, merkt op, dat ook hij de descendentieleer huldigt, maar desniettemin een constant blijven der kenmerken, sedert
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's