1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 30
26
recht naar beneden en was 2.3 cM. lang. Behalve de eerste staartwervel was ook de tweede aanwezig als een groote plat gedrukte erwt, terwijl de derde zoo groot was als een linsenkorrel. Later heeft men in Europa nog enkele van dergelijke staartmenschen beschreven, maar den 4* en 5'i«" staartwervel heeft men nog nimmer aangetroffen. Terwijl in den staart van andere dieren de overeenkomst met gewone wervels blijft bestaan, schijnt bij den mensch zulks alleen met de bovenste staartwervels het geval te zijn. Behalve deze echte of harde staarten komen bij den mensch ook zachte staarten voor, die geen been of kraakbeen tot inhoud hebben; zij bestaan dus alleen uit weeke deelen en worden in den regel ook langer dan de harde staarten. Gewoonlijk zijn zij behaard en licht gekromd, zoodat zij wel wat op een varkensstaart gelijken. Ook hier heeft men weer te doen met een toestand, die gedurende het vruchtleven van den mensch normaal is. Virchow heeft er dan ook op gewezen, dat deze zachte staarten meestal gepaard gaan met andere ernstige misvormingen, zooals atresia ani, buik- of blaasspleet enz. De zachte staart is een remming in de ontwikkeling van het onderste einde der chorda dorsalis; gewoonlijk strekt zich dit verder uit dan de wervels en vormt het gedurende eene zekere periode van het vruchtleven den staartdraad. Het schijnt dan alsof de chorda en het ruggemergskanaal te lang zijn aangelegd; de staart bestaat dan uit een gedeelte met en een gedeelte zonder wervels. Het laatste blijft echter stilstaan in groei, vormt dan een klein bultje en onttrekt zich ten slotte geheel aan de waarneming; indien het echter blijft bestaan langs ziekelijken weg, dan vormt het een zachten staart. Het is dus als het ware het gevolg van versterkten groei van een orgaan, dat anders in ontwikkeling niet alleen stil staat, maar zelfs achteruitgaat. In zekeren zin kan men het dus vergelijken met de hazenlip, de vergroeide vingers enz. Ook de zachte staarten, die natuurlijk gemakkelijk langs heelkundigen weg verwijderd kunnen worden, zijn zeer zeldzaam. Virchow beschreef uitvoerig een zachten staart bij een jongen, die in 1848 in Oldenburg werd geboren; deze staart was 7,5 cM. lang en zou bij aanraking met de punt van een naald eenige beweging hebben getoond. Het object, dat 8 weken na de geboorte werd verwijderd, bleek licht behaard te zi^jn; het had een 8-voudige bocht en geleek zeer veel op een varkensstaart. Op de huid volgde onderhuidsch vetweefsel, dan fascie en vet; wervels, spieren, kraakbeen of chorda-weèfsel waren niet te vinden, zoodat men het niet een spinaalvorming mocht noemen. Virchow wees er dan ook nadrukkelijk op, dat men niet het recht had hier van een dierenstaart in den engeren zin van het woord te spreken. Het is niet te loochenen, dat dergelijke aanhangsels steeds een
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's