1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 160
154 dan in de eerste generatie. Dit proces zou men dan nog eenige malen moeten herhalen. Vilmorin, die dit „affoler" noemde, meende, dat op deze wijze een stijging van de veranderlijkheid van een plant zou optreden, zoodat men eindelijk elk gewenscht kenteeken zou kunnen voortbrengen. Deze proeven zijn door Vilmorin nooit gedaan, althans nooit beschreven; De Vries heeft het denkbeeld echter weer opgenomen. Hij stelt zich voor, dat de oorzaken van een praemutatie tweeërlei moeten zijn: inwendige, die bepalen, wat ontstaan kan, en uitwendige, die bepalen, wanneer het ontstaat. Omdat nu in de natuur wel de meeste soorten constant zijn, maar toch alle tijdens hun vorming perioden van praemutatie met opvolgende mutatie hebben moeten doorloopen, mag men aannemen, dat de uitwendige oorzaken der praemutatie zulke omstandigheden zijn, die in de natuur niet gewoonlijk en ten allen tijde voorkomen, maar toch ook niet al te zelden verwezenll]kt kunnen worden. Zoo komt men tot de gedachte, dat misschien een combinatie van buitengewoon gunstige invloeden met buitengewoon ongunstige een oorzaak der praemutatie zou kunnen vormen. Alzoo zouden voor een praemutatie geen omstandigheden noodig zijn, die op zichzelf zeer zelden voorkomen, maar een combinatie van heel gewone invloeden, die als zoodanig steeds zeldzaam zal zijn. Loosduinen.
L. BOUMAN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's