Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 158

Bekijk het origineel

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 158

2 minuten leestijd

152 komen en wel door het verdwijnen of op sterkere wijze optreden van kenteekens van den „inneren Formenkreis" of ook door het actief worden van kenteekens van den „ausseren Formenkreis". Dit is dus een combinatie van reeds voorhanden kenteekens. 't Optreden van kenteekens van den „inneren Kreis" wordt subprogressieve soortvorming genoemd en komt zelden in sterke mate voor. Het systematische begrip der variëteit omvat bij Linnaeus zoowel als bij de latere systematic! twee geheel verschillende zaken, n.l.: 1. „Ebenbürtige" vormen, tusschen welke zelfs Linnaeus niet een als type voor de overige kiezen kon: elements de l'espèce (de Candollej of élémentaire soorten. 2. Afgeleide vormen, die zich alleen door geringere of sterkere vorming van een bijzondere eigenschap of door hun geheel ontbreken van de typische soort onderscheiden: variëteiten. Het ontstaan van nieuwe soorten. A. Onder vorming van nieuwe eigenschappen: progessieve soortvorming (hiervoor een praemutatie noodig). B. Zonder vorming van nieuwe eigenschappen: Bi. retrogressieve soortvorming, atavisme ten deele. (Op retrogressieve ontwikkeling of latentie berust wel in verreweg de meeste gevallen het ontstaan der systematische- en tuin-variëteiten). Hier bestaat een verreikende analogie tusschen de vorming van deze variëteiten en van die bepaalde soorten. Daarnaast komen veel minder voor de variëteiten door versterking van kenteekens: de subprogressieve soortvorming. (Darwin noemt parallelle aanpassing, zoo de nieuwe eigenschap herhaalde malen ontstaat in verwante of ook verwijderde groepen) (deze behoort waarschijnlijk bij de volgende groep.)) Ba het actief worden van latente eigenschappen: degressieve soortvorming, a. uit taxinome (ev. latente) anomalieën, b. als eigenlijk atavismus. Bs uit bastaarden. De vooruitgang in den stamboom berust noodwendig op progressie, op de vorming van nieuwe eigenschappen; de overweldigende vormenrijkdom echter berust daarnaast op het bij gelegenheid verdwijnen van reeds voorhanden eigenschappen en het actief worden van latente (retrogressie, digressie, atavismus). De variëteiten in den tuinbouw zijn in den regel constant, de meeste soorten zijn niet alleen „samenbestandig" maar ook „samenrein". „Samenbestandig" noemt men ze, wanneer ze praktisch rein zijn, d. i. bij de gewone cultuur niet meer verontreinigingen geven dan onvermijdelijk is (alzoo meest van OT'/o-OO'/o rein). „Samenrein" noemt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 158

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's