1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146
140 loopig met alle reserve uit zijne proeven af, en wel daaruit, dat van alle onderzochte soorten tot nu toe maar één zich op deze wijze mutabel heeft getoond. Maar verdere onderzoekingen zijn noodig. Voor de studie der mutaties in de natuur zijn er twee wegen. 1. De directe waarneming, 't opzoeken en verzamelen der mutanten op de plaats van de stamsoort; 2. het verzamelen van zaden op die plaats en hun uitzaaien onder voorwaarden, die zoo gunstig mogelijk zijn voor kieming. Veel beter is de laatste methode. Al brengen de planten nog zooveel gemuteerde zaden voort dan bestaat nog steeds de mogelijkheid, dat men daarvan op de natuurlijke vindplaats öf niets bemerkt öf slechts van tijd tot tijd geringe sporen ontdekt. Het uitzaaien van zaden in 't veld verzameld is het eenvoudige en zekere middel om te beslissen of een soort op een bepaalde plaats zich in een mutatieperiode bevindt of niet. De Vries' proeven geven tot nu geen positief resultaat. Hij besluit daaruit, dat mutaties in de natuur zelden voorkomen; hij is echter overtuigd dat zij bij verder zoeken toch vaak gevonden zullen worden. Zijne waarnemingen, hoe onvolledig ook, zijn voldoende om de identiteit der mutatieprocessen in 't veld en in den tuin te bewijzen. De culturen zijn alleen een geschikter en zekerder middel om na te gaan, wat in de natuur geschiedt. Zoover men weet, zijn de soorten in de natuur constant. Dit geldt van de elementaire soorten en de meeste zoogenaamde variëteiten. De algemeene overtuiging van het constant zijn der soorten heeft er toe geleid, deze eigenschap als tot het wezen der soort behoorend te beschouwen. Zulk een tegenspraak bestaat echter alleen voor de aanhangers der selectieleer. De mutatietheorie heft ook deze moeilijkheid op. Met constant zijn is een der nadeeligste eigenschappen, die een soort bezitten kan en de selectieleer, die alleen de vorming van nuttige eigenschappen verklaren kan, moet natuurlijk zulk een geval verwerpen. Op grond van de mutatietheorie moet de mogelijkheid erkend, dat soorten ontstaan, die op den duur niet geschikt zijn om te bestaan. De „struggle for life" kiest naar gelang der levensvoorwaarden nu de eene, dan de andere. De oorzaken van het verdwijnen kunnen hoofdzakelijk drieërlei zijn: 1". Steriliteit of onvoldoende fertiliteit. 2'.Individueele zwakte. 3. Onvolkomen bestendigheid der zaden. Typen, ongeschikt om te bestaan, kunnen volgens de mutatietheorie optreden en weer verdwijnen, en de ervaring bevestigt de theorie (Oenothera scintillans). Voor de selectietheorie zyn zulke gevallen onoverkomelijke moeilijkheden. . De gezamenlijke nieuwe eigenschappen en kenteekens van een
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's