1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 144
138
De Mutationstheorie van Prof. Hugo de Vries. II. In het eerste opstel werd de theorie van Hugo de Vries behandeld en het merkwaardige verschijnsel, bij Oenothera gevonden, uitvoerig meegedeeld. Zeker is dit voor de algemeene biologie het belangrijkste gedeelte, zoodat het nuttig kan zijn nog eens te recapituleeren, wat uit de cultuurproeven gebleken is, om daarna meer in 't kort de speciale onderzoekingen van De "Vries te noemen. Voor de vormen, die uit Oenothera Lamarckiana ontstaan zijn, zou nu het volgende gelden: I. Nieuwe elementaire soorten ontstaan plotseling, zonder overgangen. De voorvaderen van de nieuw optredende vormen zijn juist bekend, meestal gedurende een ri] generaties en men weet, dat ze öf als groep geïsoleerd (1887—1891) öf bij kunstmatige bestuiving in perkamentzakjes bloeiden (1894—1899). Zeker is alzoo, dat elke nieuwe vorm uit zaden van een geheel normale O. Lamarckiana ontstond. II. Nieuwe elementaire soorten zijn meestal geheel constant, van 't eerste oogenblik af van haar ontstaan. Er is geen terugslag tot den moedervorm. — Een uitzondering vormt O. scintillans, maar waarschijnlijk slechts een schijnbare en misschien voor een groot deel door de bijmenging van een zoo belangrijk aantal O. oblonga bepaald. III. De meeste typen, die voor 't eerst optreden, zijn, wat eigenschappen betreft, elementaire soorten en niet eigenlijke variëteiten. Elementaire soorten onderscheiden zich van hare naaste verwanten meer of minder in al hare kenteekens. Variëteiten onderscheiden zich van hare moedersoort door een enkele eigenschap öf door twee, in elk geval door slechts weinige, zoodra ook kleur, beharing, enz. zich op de meeste organen op gelijke wijze herhalen. Overigens is, zooals bekend, het onderscheid tusschen variëteiten en soorten een geheel willekeurige; experimenteel onderzocht toonen beide dezelfde standvastigheid en wederkeerige onafhankelijkheid. Men zegt vaak, dat variëteiten zulke vormen zijn, die „nachweislich" uit andere zouden zijn ontstaan. Dit is echter onjuist. Voor enkele variëteiten van de kweekers mag dit bewezen zijn, maar dit bewijs ontbreekt volkomen voor de meeste variëteiten en vnl. voor de wilde. Men heeft te doen met een historisch feit en wanneer het proces, zooals gewoonlijk, niet door menschenoogen gezien werd, dan berust het zoogen. bewijs eenvoudig op deductie of op analogie. En waar men niet te doen heeft met directe waarnemingen is de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's