1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 23
19
I
Ohelidonium laciniatum en Chelidonium majus zoo geheel het karakter van het verschil tusschen naverv?ante in 't wild groeiende planten vertoont. Bij de meeste andere voorbeelden had men verschillen, die niet uitsluitend, toch in 't algemeen in hoofdzaak, enkele organen of deelen der planten, b.v. de bloemen of de vruchten, betroffen. Hier heeft men echter eene variëteit, die in al hare deelen van de moedersoort verschilt en die men daarom, ware haar oorsprong onbekend en indien men haar in 't wild groeiend vond, voor eene zelfstandige elementaire soort, zeer waarschijnlijk voor eene soort in den zin van Linnaeus zou gehouden hebben. De variaties bij Oenothera Lamarckiana, ontdekt door De Vries, dragen hetzelfde karakter. De Chelidonium laciniatum vormt zoo een overgang tusschen deze gevall'en en die, welke in den landbouw en in den tuinbouw zoo vaak voorkomen. De sprongvariaties zijn dus van qualitatieven aard; ze zijn er of ze zijn er niet, en kunnen niet door retourselectie geheel en al verdwijnen. Ze zijn volkomen fixeerbaar of eigenlijk van het eerste ontstaan af gefixeerd, want bij kunstmatige zelfbevruchting zijn ze dadelijk in de nakomelingen constant. Ze zijn verder accumuleerbaar, want verschillende sprongvariaties kunnen bij dezelfde plant samengevoegd worden, zooals de zeer samengestelde namen, die men in den tuinbouw vaak gebruikt, reeds voldoende bewijzen. Zijn de soortkenmerken uit sprongvariaties ontstaan, dan wordt het duidelijk, dat de soorten, ook zelfs de elementaire, niet door overgangsvormen met elkaar verbonden zijn, want de sprongvariaties zijn altijd sprongen, al zijn het ook kleine. Dan is ook het onnuttige van vele soortkenmerken, waarop men zoo vaak gewezen heeft niet meer zoo wonderlijk, want men kan inzien, dat onschadelijke maar nuttelooze, volkomen erfelijke variaties, wanneer ze in vrij groot aantal ontstaan, zeer goed in staat kunnen zijn, zich in de nakomelingschap staande te houden. Experimenteel is vastgesteld, dat de wilde soorten en elementaire soorten immutabel zijn. Men wordt dus gedwongen aan te nemen, eene meening die door het betrekkelijk zeldzaam voorkomen der sprongvariaties in de natuur ondersteund wordt, dat de wilde planten en dieren alleen op bepaalde tijden en onder bepaalde omstandigheden •eene mutabele periode hebben en dat deze misschien eerst na lange intervallen terugkomt. Het zou dus niet onmogelijk zijn misschien hier en daar een plant te vinden die eene mutabele periode doormaakte en dus het waarnemen der mutatie mogelijk maakte. De Vries heeft nu de meest verschillende, in 't wild groeiende planten in zijn tuin gedurende eenige generaties gekweekt. De meeste bleken volkomen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's