1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 25
21 stengel, de vorm der inflorescenties, de kleur der bloembladen, de vorm der vruchten, de geschiktheid meer of minder zaden voort te brengen. Het is waar, dat de meeste mutanten afwijkingen vertoonen, die het waarschijnlijk maken, dat zij het in den strijd om het bestaan tegen O. Lamarckiana zouden verliezen. Alleen O. gigas maakt den indruk, dat zij met succes dezen strijd zou kunnen doormaken. Overigens hadden de mutanten het karakter van elementaire soorten in de natuur. Zij zijn als kiemplanten reeds te herkennen (eene belangrijke zaak), terwijl ook de verschillen, wanneer zij op bedden naast elkaar in den tuin staan, ook in volwassen toestanden zeer gemakkelijk in 't oog vallen en byna nooit op de bedden overgangsvormen voorkomen, waarvan men in twijfel kon verkeeren, of ze misschien tot eene andere soort behooren. De mutanten kwamen herhaalde malen te voorschijn in op elkander volgende jaren. Wel ontstond O. gigas in zijne proeven slechts eens, in het jaar 1895 in een enkel exemplaar. Maar in andere cultui'en heeft De Vries haar ontstaan nog tweemaal waargenomen. Daarentegen is O. nanella zeven jaren na elkaar ontstaan en ook alle andere soorten herhaalde malen. Zoo vinden we in den stamboom, dat in 1895 176 oblongamutanten, in 1896 135 voor den dag kwamen, enz. Ook de procentverhouding is zeer verschillend. Het hoogste getal bereikt O. lata in 1896, voor haar alleen bijna 1,8 "/o. Wanneer men alle verschillende mutanten bij elkaar neemt, en de procenten voor 1895 en 1896 berekent, waarin het aantal mutanten het meest volledig bepaald werd, dan vindt men eene waarde van iets meer dan 3 "/o. De mutanten werden in grooten getale uitgezaaid en het karakter der nakomelingen nagegaan. In het algemeen werd het resultaat verkregen, dat de mutanten dadelijk geheel constant, de kenteekens dus volkomen erfelijk zijn. (Kunstmatige zelfbestuiving toegepast en het insectenbezoek verhinderd). Van de gigasplant, die in een enkel exemplaar in 1895 ontstond, werden de zaden in 1897 ten getale van 450 uitgezaaid. Alle brachten O. gigas voort, geen enkele O. Lamarckiana was er bij. Slechts één •plant vertoonde naast de gigas-kenteekens ook die der O. nanella. Dit was dus een nieuwe vorm van de 2*"^ orde. Duizend zaden van O. rubrinervis leverden in 1896 alle zuivere nakomelingen, behalve eenige, die een nieuwe mutant leverden, die leptocarpa genoemd werd. Daarbij was echter ook een enkele Lamarckianaplant. Hoewel vermoed werd, dat deze van zaad kwam uit vroegere culturen, in het bed overgebleven, toch werd daardoor twijfel gewekt aan het resultaat. Daarom werd de proef voortgezet en her.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's