Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 27

Bekijk het origineel

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 27

3 minuten leestijd

23

een bepaald aantal elementaire soorten ingevoerd hebben, die er vroeger nooit geweest zijn. Ontstaan nu de mutanten gedurende de mutatieperiode in groot aantal en op bepaalde plaatsen, zoodat ze daar, waar ze voorkomen, dicht naast elkaar groeien, dan is natuurlijk ook bij de niet verzorgde, vrij levende, bastaardvorming gedeeltelijk of geheel uitgesloten; het kan aldus ook voorkomen, dat ze dadelijk eene geheel zuivere en ook constante nakomelingschap vormen. Maar in de meeste gevallen zullen de mutanten in betrekkelijk klein aantal tusschen talrijke exemplaren van den stamvorm groeien, zoodat zich kruising met deze laat verwachten. Nu komt natuurlijk de vraag, welken invloed deze kruising zal uitoefenen, en in hoeverre het den mutanten mogelijk zal zijn zich toch staande te houden. Op De Vries rust de plicht deze vraag te beantwoorden en aan te toonen, dat de kruising niet noodzakelijk tot verdwijnen van nieuwe elementaire soorten behoeft te leiden. Dit zal in het tweede deel behandeld worden. Men mag dan verder besluiten, zegt Moll, van wien ik deze laatste beschouwingen overnam, zooals men het in het Darwinistisch stelsel tot nu, mutatis mutandis, altijd gedaan heeft, dat door ophooping van verschillende mutaties langzamerhand ook de soorten van Linnaeus, de genera van Tournefort, de families, orden en hoogere groepen op dezelfde wijze zich gevormd zullen hebben. Maar deze conclusie, al is zij ook plausiebel en op theoretisch goede gronden gebaseerd, ligt buiten het gebied der hier besproken onderzoekingen. Men ziet, dat er, indien de denkbeelden van den geleerden onderzoeker worden overgenomen, een algeheele ommekeer in de voorstellingen omtrent het ontstaan der soorten te verwachten is bij hen, die de descendentietheorie aannemen. De selectie kan dan het hooge standpunt, dat zij innam, niet meer blijven bewaren, maar moet hare plaats ruimen voor de mutatie. Het is dan ook te begrijpen, dat Weismann, hoeveel lof hij ook heeft voor de onderzoekingen van De Vries, nu reeds protest aanteekent tegen den grooten invloed, dien men aan de mutatie wil toeschrijven. Het punt, waarop de botanici de zoƶlogen niet meer begrijpen, is de aanpassing, die de geheele wereld der organismen beheerscht. De aanpassingen toch treden bij de planten veel minder op en zijn ook in vele gevallen minder goed aan te wijzen dan bij de dieren, die ons vaak juist samengesteld schijnen uit aanpassingen. De lichtorganen bij de diepzeedieren b.v. zijn aanpassingen aan de diepte, en wanneer nu bij vele dieren uit de meest verschillende groepen dezelfde aanpassingen (in physiologischen zin gesproken) op-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's

1903 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 27

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1903

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 166 Pagina's