1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 112
106 naar bed brengt, nog uren met hen blijft praten of hen wat voorleest, zich voortdurend bezig houdt met schoonmaken en poetsen, met de dienstboden kijven, enz. Ik heb moeders gekend, zoo zegt hij, die de kinderen langzamerhand gewend hadden met de helft van den slaap toe te komen, dien zij noodig hebben. Zulke moeders, die meestal zelf door vrees voor ziekte gekweld worden, brengen die vrees op hunne kinderen over; loopen, zelf niet kunnende slapen, alle halfuren naar de kinderkamer, om te zien, of de kleinen wel slapen; leggen hunne kussens en dekens weer eens goed, sluiten of openen de gordijnen. Wordt dan een der kleinen wakker en begint te huilen, dan volgt „eine langere parlementarische Unterhalting" om het kind tot rust te brengen en weer in slaap te maken. Kleinere kinderen worden dan uit bed genomen om met hen rond te loopen, kortom er worden door ziekelijke overgevoeligheid een aantal maatregelen genomen, die op den aanleg voor slaapstoornissen gunstig werken. De moeder kan haar eigen daden niet meer voldoende controleeren en wanneer men met gemoedelijke woorden haar tracht te overreden (in casu der Herr Gemahl) meent zij zich in haar moedertrots getroffen en zegt, „dat zij zich in hare plichten niet op een dwaalspoor laat brengen." Maar het zijn niet alleen de zieke moeders, die zich aan het bovengenoemde schuldig maken. Ook bij vele anderen komt het voor, dat toegegeven wordt aan de luimen der kinderen. Het is zeker gemakkelijk gezegd, dat men de gulden middelmaat moet betrachten, niet te veel toegeven en niet al te gestreng zijn. Wie daarvoor een bepaald schema wilde toepassen voor verschillende kinderen, zou verkeerd uitkomen, omdat hetgeen voor den een noodig is, voor den ander niet past. Eene verstandige moeder zal rekening houden met hare ervaring bij haar kind opgedaan, die soms geheel anders is dan bij het andere kind; wat den een kan toegegeven worden, moet den ander soms verboden worden, mits het niet in elkanders bijzijn en tegelijkertijd geschiedt om daardoor geen onderlingen naijver op te wekken of te versterken. Een groote voorwaarde daaraan verbonden is, dat men een verschillend optreden al naar gelang de stemming is zooveel mogelijk moet vermijden. Dat hierin door den onvolmaakten mensch zeker meermalen gezondigd wordt, wie zal dit ontkennen? Maar de wilskracht en het streven het goede te bereiken, vermogen hier veel. De kinderen mogen niet de dupen zijn van de onaangenaamheden, die de ouders onderling hebben of van het verdriet, dat de moeder van de ondergeschikten heeft; nog veel minder mogen ze getuigen zijn van de overbekende scènes in den huiselijken kring. Die scènes
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's