Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 52

Bekijk het origineel

1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 52

3 minuten leestijd

48

De eerste helft der vorige eeuw v^as bij uitstek de roemtijd der wijsbegeerte in Duitschland. Ik behoef u slechts de namen te noemen van Kant, Fichte, Schelling, Hegel, om u te doen inzien, dat toen een philosophische aera voor Duitschland aangebroken was, die het te voren niet beleefd had. Met het cogito ergo sum van Cartesius had het zoogenaamde rationalisme zijne intrede in de wetenschap gedaan. Het denken was het voornaamste en in welke vormen het rationalisme ook optrad, steeds was deze grondgedachte daarbij te vinden: de oorsprong der kennis is te zoeken in het subject. Volgens Kant hebben we geen kennis van de „Dinge an sich", maar alleen zooals ze ons door het subjectieve medium van ruimte en tijd verschijnen. Daarom wilde hij nog niet beweren, dat de wereld der zintuigen alleen maar schijn zou zyn. Zijn standpunt was het transcendentaal critisch idealisme. Er zou een empirische realiteit van ruimte en tijd zijn, er zouden even zeker dingen buiten ons bestaan, zooals wij zelf en de toestanden in ons, maar zij zijn niet zoo, als ze an sich zijn, onafhankelijk van ruimte en tijd. Bij Fichte kwam echter het absoluut idealisme op den voorgrond. De onderscheiding die bij Kant nog bestond tusschen de vormen der waarneming en de stof, waarvan de eerste wel, de laatste niet uit den menschelijken geest werden afgeleid, werd door hem opgeheven. Alle elementen onzer kennis, tot zelfs de waarneming toe, waren apriorisch en door het Ik geponeerd. Het ik werd niet door een vreemd Ding an sich maar zuiver door zichzelf getroffen. Terwijl er nu ') eerst eene beperking was tot het gebied van het kenvermogen, alleen dus bedoeld in erkenntnisstheoretischen zin, werd het subjectief rationalisme door Fichte, Schelling en Hegel tot een objectief rationalisme uitgebreid. Schelling heeft deze gedachte weergegeven in de formule, dat denken en zijn identisch zouden zijn, wat het metaphysisch idealisme genoemd wordt. Niet slechts de kennis, maar ook het zijn, niet alleen de voorstelhngen, maar ook de dingen zelve, zijn alleen uit het denken voortgekomen. Om de fout, die aan deze richting kleefde, goed te doen uitkomen, heeft men het bekende verhaal opgedischt van den Engelschman, Pranschman en Duitscher, aan wie het probleem opgegeven was, het wezen van den kameel weer te geven. De Engelschman zou dan, volgens het verhaal, zijn geweer nemen, naar Afrika gaan, een kameel schieten, hem'laten opzetten en in een museum plaatsen. De Pranschman zou naar den Jardin d'acclimatation te Parijs gaan en daar een kameel bestudeeren, en vond hij daar geen exemplaar van ') Bavinok, Dogmatiek, I, pag. 146.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's

1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 52

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's