1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 62
58 hun recht van bestaan kan daaruit afgeleid worden, dat men bewijst, dat de verschijnselen, die specifiek levensverschijnselen zijn, niet kunnen worden afgeleid uit de wetten, die ook in de anorganische natuur gelden. Zoo worden dan gewoonlijk genoemd het zelfbehoud en de voortplanting der organismen, de regeneratieprocessen en de ontwikkelingsverschijnselen. Wel dient hierbij in het oog te worden gehouden, dat de zoo gevreesde levenskracht niet weer binnengehaald werd. Gewoonlijk wordt aangenomen dat Lotze, nadat Johannes Muller met zijn invloedrijk woord de levenskracht verdedigd had, het meest er toe bijgedragen heeft, dit begrip uit de biologie te verbannen. Lotze sprak van een gesystematiseerde aanwending van chemische verbindingen bij de levensprocessen en voegt daarbij, dat het leven zich daardoor ook van alles, wat onze menschelijke techniek heeft voortgebracht, onderscheidt. Hij wordt daarom ook met instemming geciteerd door hen, die de chemie en physica niet voldoende achten ter verklaring der levensprocessen.') Virchow ^) heeft omtrent dit punt geen zeker geluid gegeven. Nu eens zou men denken, dat hij strijdt tegen het beginsel der levenskracht, dan weer heeft men reden aan te nemen, dat het hem moeite kost de consequenties van de tegenovergestelde principes te aanvaarden. In zijne rede „Hundert Jahre allgemeiner Pathologie", heet het: „Men moet niet vergeten, dat men geen bijzondere levenskracht kan vinden. Vitalisme beteekent niet noodzakelijk een spiritualistisch of ook slechts een dynamisch stelsel. Maar eveneens moet men zich voor oogen houden, dat leven verschilt van de processen in de overige wereld en dat het niet eenvoudig te reduceeren is tot physische of chemische krachten." Het is ook merkwaardig eene vergelijking te maken tusschen Eeinke, den zoogenaamden neo-vitalist, en Johannes Muller, den vitalist, omdat deze ongeveer dezelfde positie inneemt als gene, rekening houdend met den vooruitgang der natuurwetenschappen, waarvan de eerste kon proflteeren. De levenskracht bij den scherpzinnigen physioloog was dan ook niet datgene, waarvoor men het wel eens uitgegeven heeft. Om dit standpunt bespottelijk te maken stelde men het voor, dat deze kracht telkens ingreep, zoodra men geen andere wist, een analogon van dat bewijs voor de kracht van de Opium, quia est in eo virtus dormitiva.
') Oacar Hertwig, Die Zelle nnd die Gewebe, II, pag. 57. ') Bibbert, Die Lehren vom Wesen der Krankheiten, pag. 223.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's