1904 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 38
34
verband, dan zouden deze psychische hoegrootheden in omgekeerde reden tot elkander komen te staan. „Hoe grooter geest, hoe grooter beest", luidt een spreekwoord. Nu mogen wij niet uit het oog verliezen dat de vox populi niet de vox Dei is; en wij zouden ons niet gaarne in dezen aan de zijde van het volk scharen. Hoe moeten wij nu de afwijkingen dezer hoogste psychologische eigenschappen van den norm materieel verklaren? Immers, de casuïstiek leert, dat deze afwijkingen gevonden worden, waar het materieel substraat ziek is of als zoodanig beschouwd mag worden. Die psychische stoornissen zijn zonder twijfel het gevolg van de materleele laesie. Hoe nu die psychische afwijkingen materieel te verklaren? Ik stel daartegenover de vraag: Hoe zou het anders kunnen? Wü weten dat het intellect aan den cortex cerebri, d. i. aan de daar zetelende gangliencellen, zenuwvezels en glia gebonden is. Als Plechsig gelijk heeft, dan vindt men de associatie-centra, d. i. de edelere psychische eigenschappen gebonden aan de elementen der voorhoofdskwabben, der temporaal-, der parietaallobben en der insula. Waar deze deelen gestoord zijn, daar vindt men intellect-defect en wijl, gelijk wij zagen, met het intellect de edelste psychische eigenschappen nauw verbonden zijn, namelijk de religieuse en ethische zin, zoo laat zich een gelijktijdige stoornis van dezen lichtelijk begrijpen. Wij nemen toch aan, dat onze geest, zoolang hij hier beneden is, aan de stof is gebonden. Waar deze ziek is, zal gene niet gezond kunnen blijven. Alleen „in corpore sano raens sana." Onze psychische eigenschappen zijn afhankelijk van de histologie van de genoemde centra. Wat is uit psychologisch oogpunt religie of godsdienstzin; wat morahteit of ethische zin? Godsdienst en zedelijkheid mag men niet met elkander verwarren en evenmin scherp scheiden. Zij zijn in alle eeuwen en onder alle volken nauw verbonden geweest. „Het geloof zonder de werken is dood", d. w. z. is geen geloof. De religieuse voorstelling is immer als de hoogste ethische idéé opgevat geworden. Waar onder onbeschaafde volken religie en zedelijkheid de eerste trappen van ontwikkeling zijn te boven gekomen, daar beteekent het Godsbegrip het hoogste ideaal van al wat schoon is en edel en goed, en welluidt. Toch zijn de ethische ideeën en de religieuse voorstellingen, ook al vallen zij samen in haren inhoud, niet identisch. De religie immers geldt geene abstractie; zij vat haar Godsbegrip niet als louter idéé op, dat de mensch te verwerkelijken heeft; maar haar ideaal is verwerkelijkt in een hoogste Wezen, dat zij God noemt, dat niet slechts tot de wereld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 136 Pagina's