1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 137
H. W. BAKHUIS ROOZEBOOM
117
kennis gemaakt met Roozeboom, omdat Dr Boeke op zijn oud^eerling de aandacht had gevestigd en zo had in 1873 de jonge Roozeboom als assistent van Dr van Bemmelen in Arnhem geholpen bij onderzoekingen over drinkwater. Ook Dr van Bemmelen had een goede indruk van Roozeboom gekregen en besloot, hem niet weer uit het oog te verliezen. Hij durfde in 1874, toen hij in Leiden kwam, Roozeboom niet als assistent te benoemen, daar deze functie als regel werd opgedragen aan iemand, die reeds doctorandus in de scheikunde was. Toen echter in 1878 het laboratorium van Dr Mouton afbrandde en Roozeboom zonder betrekking was, waagde Prof van Bemmelen het, hem tot assistent te benoemen. Zo kwam Roozeboom in Augustus 1878 te Leiden; het bleek spoedig, dat Prof. van Bemmelen goed gezien had. Roozeboom was weldra de beste der assistenten en ging tegelijk studeren voor de examens in de chemie. V a n collegeIdpen werd hij grotendeels vrijgesteld door de professoren; hij legde geregeld de vereiste tentamens af en werd in Februari 1881 candidaat in de chemie. In April 1882 slaagde hij voor het doctoraal examen en bewerkte van 1882^—1884 een dissertatie, die reeds de grondslag legde voor de hoge vlucht, die hij zou nemen. Intussen was hij reeds in 1879 gehuwd met Mej. C. E. W i n s en eisten de kosten van zijn gezin meer inkomsten. Gelukkig deed zich toen voor hem op de betrekking van leraar in de Chemie en Physica aan de H.B.S. voor meisjes te Leiden, waartoe hij in 1881 benoemd werd. Daardoor bleef hij behouden voor het assistentschap in Leiden, dat slechts karig beloond werd. Hij was anders gedwongen geweest hier of daar in den lande een leraarsbetrekking te zoeken. Roozeboom kon nu ook zijn wetenschappelijke onderzoekingen voortzetten, want hij had een geweldige werkkracht en, hoewel tenger gebouwd, een gezond gestel. W a t de scheikunde betreft bezat hij zeker in hoge mate, wat hij zelf op het college in Amsterdam eens noemde ,,die chemische Nase". Hij kon de waarheid, als 't ware, ruiken. Het leraarschap aan de H.B.S., dat hij alleen pecuniae causa aanvaardde, schijnt niet bizonder aangenaam voor hem geweest te zijn. Hiermee klopt ook een andere uiting, die hij op college als terloops eens maakte: „het is jammer voor een chemicus als hij leraar moet worden, om de leerlingen een beetje scheikunde bij te brengen, dat ze altijd nog wel kunnen leren". Het wetenschappelijk onderzoek aan het laboratorium was zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's