1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 140
120
Dr J. FOKKENS
Het vertrek van Prof. van 't Hoff naar Berlijn schiep de gelegenheid. Ik heb wel eens gehoord, dat aan de benoeming van Roozeboom in de weg heeft gestaan het feit, dat hij tot de „fijnen" behoorde. Of dit juist is, zal wel moeilijk zijn uit te maken. In ieder geval is het door V a n der W a a l s en vooral door Van Bemmelen geweest, dat de benoeming tot stand kwam. Aan Prof. van Bemmelen, die zelf niet tot de Chr. partijen behoorde, strekt het stellig tot hoge ere, dat hij in die nog veelszins „oud-liberale tijd" zo veel protectie aan Roozeboom heeft gegeven. Menselijkerwijs gesproken had Roozeboom zonder Van Bemmelen nooit zijn geniale gaven kunnen ontplooien. Het hoogleraarsambt werd in 1896 aanvaard met het uitspreken ener rede over „De wetenschappelijke beoefening der chemie en hare uitkomsten". In de cursus 1903/1904 was Roozeboom rectormagnificus, in welke functie hij een rede hield, getiteld: „De tegenwoordige stand der problemen in de chemie". Beide redevoeringen staan niet alleen wetenschappelijk hoog, doch hij kwam daarin ook openlijk uit voor zijn geloofsovertuiging. Hij stond daarmee geheel aan de zijde van vele beroemde Engelse geleerden — denk slechts aan Faraday en Maxwell — die ook de Christelijke wereldbeschouwing deelden. In de inaugurele oratie geeft hij bescheiden de ere aan Hem, uit Wien, door W i e n en tot Wien alle dingen zijn, in de rectorale oratie citeert hij o.a. een vers uit het prachtige gedicht van Maxwell: „A Student's Evening Hymn". Het werk aan de Universiteit van Amsterdam deed Roozeboom gelijk te verwachten was, met ongeëvenaarde toewijding. W a n t in zijn tenger lichaam huisde een grote geestkracht en een doorzettingsvermogen zonder wederga, dat hem staande hield in de drukke ambtelijke functie. Bovendien was hij altijd vriendelijk en opgeruimd, ook al was hij soms zeer vermoeid. Zijn colleges waren een en al frisheid; hij bezat een levendige wetenschappelijke fantasie, waardoor hij altijd boeide. Als voornaamste wetenschappelijk werk schreef hij zijn boek over de Phasenleer; in 1894 reeds had hij het plan opgevat zijn uitgebreid materiaal van experimenteel onderzoek en studie samen te vatten. In 1901 echter kon pas verschijnen het eerste deel van zijn werk „De Heterogene Evenwichten van het standpunt der Phasenleer". In 1904 verscheen het eerste gedeelte van het tweede deel, dat hij hoopte in 1907 te kunnen voltooien, wat helaas niet heeft kunnen geschieden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's