1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 66
54
Dr J. P. VAN ROOIJEN
Ter verklaring dient er op te worden gewezen, dat de grootse ontplooiing van de exacte wetenschappen zich niet verdraagt met een geloofsgesteldheid, die de waarachtige beleving van de bijzondere openbaring omtrent het providentieel vermogen van de almachtige God ontbeert. Wanneer de physicus zijn natuurwetten poneert en daaraan met grote nadruk toevoegt, dat uitzonderingen irreëel geacht moeten worden, dan zal de christen geneigd zijn dit terrein prijs te geven, tenzij de rotsvaste overtuiging omtrent de permanente en alles omsluitende activiteit der Goddelijke voorzienigheid hem tot verweer in staat stelt. Menigmaal ontbreekt zulk een overtuiging evenwel; men twijfelt geenszins aan het providentieel bestel des Heren, doch beperkt de openbaring daarvan heimelijk tot verschijnselen, waaromtrent het natuuronderzoek geen uitsluitsel vermag te geven, omdat het trage geloofsbewustzijn in een vallende steen geen uiting van voorzienig alvermogen erkent. Het onverwachte, het grillige, het door de man van wetenschap niet beheerste natuurgebeuren vormt dan een uitgestrekt terrein, waarop de providentie des Allerhoogsten het stempel drukt. Vandaar de intentie om juist hier te mediteren. Des te feller zal dan echter de ontgoocheling zijn, wanneer het voortgezette onderzoek de geïsoleerde positie van de contingente verschijnselen ondermijnt. De recente ontwikkeling van de exacte wetenschappen met haar statistische natuurbeschouwing schijnt deze terughouding intussen te rechtvaardigen; naast een beperkt aantal wetten zonder uitzondering blijkt de natuuronderzoeker te moeten rekenen met zeer veel wetten, die in het wezen der zaak slechts waarschijnlijkheidsregelen zijn en uit dien hoofde althans de mogelijkheid van excepties open laten. De waarschuwende stem, die destijds tegen het hooghartig streven tot volstrekte onderwerping der natuur werd opgeheven, zou onder de gewijzigde omstandigheden in een boetpredicatie kunnen verkeren, omdat het veelgeprezen determinisme op een zijspoor moest worden geleid. Indien evenwel de moderne natuurbeschouwing het christelijk geloof in de Goddelijke voorzienigheid te hulp zou schieten, dan ware de gevolgtrekking zeker niet misplaatst, dat het 18e eeuwse rationalisme onze visie op de schepping te enen male verduisterd heeft. Alvorens deze conclusie toe te stemmen, dient onderzocht te worden, of de situatie metterdaad een definitieve wijziging heeft ondergaan. T e dien opzichte nu meen ik, dat ons bescheid beslist ontkennend
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's