Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 76

4 minuten leestijd

M

BOEKBESPREKING

van de vifil door de lusten bepaald wordt) niet voorkomt, behalve in zeldzame gevallen, zooals bij een hond, wanneer zijn gehechtheid aan de mensch hem verheft tot het niveau van zijn „meester, zijn god" (164). Dit is weer een nieuw gezichtspunt, want nu gaan we ons afvragen of het met de mensch wel zoo uitzonderlijk gesteld is als ons in dit boek voortdurend voorgehouden wordt! Maar daarna wordt ons toch weer verzekerd, dat het zedelijk besef vooraf gaat aan het geestelijke („en zij wisten, dat zij naakt waren"( p. 165). We dachten, dat deze twee in deze theorie geheel samen gingen. Deze tegenstrijdigheden zijn den schrijver blijkbaar ontgaan, want hij is verheugd over het feit, dat de bijbel, die aprioristisch te werk gaat en zijn evolutieleer, die „aposteriori uit de logische verbinding en aaneenschakeling van de feiten" werkt, tot dezelfde resultaten komen (165). De pogingen van sommige biologen (marxistische!) om de inspiratie voor de sociale vooruitgang te ontleenen aan de insectengemeenschappen, worden door hem als ,,grondeloos dom" (173) verworpen, zooals het voorgaande betoog, dat de evolutie juist beschouwt als een zaak, die bij het individu begint (zie ook p. 178, 291) doet verwachten. Er is een enorm verschil tusschen insectengemeenschappen en menschelijke gemeenschappen: de menschen zijn vrijwillig aaneengesloten en kunnen ook op zichzelf leven, bij de insectengemeenschappen is dat niet het geval. Na het vele goede, dat de schrijver ons van het menschelijke intellect (waardoor de mensch zich van het dier onderscheidt) verteld heeft, zoodat het soms lijkt of hij intelligentie en zedelijk besef gelijk stelt (zie p, 139), kregen we later te hooren, dat het intellect de zedelijke vooruitgang dikwijls remt (Lucifer!) en nü wordt zelfs gezegd, dat niet de groote intellecten het meest aan de zedelijke evolutie meewerken: „overmaat van intelligentie verdooft de subtielere eigenschappen van de geest, die niet verstandelijk behoeven te zijn" (180); een ,,zuiver intuïtief religieus geloof is een veel doeltreffender menschelijke hefboom dan wetenschap of wysbegeerte. Actie volgt op overtuiging, niet op kennis" (180). Jezus was oneindig belangrijker dan Caesar (181). Merkwaardig: nu is het alweer niet het dier in de mensch, maar juist ook iets dat den mensch tot mensch maakt (nl. de intelligentie), dat zijn evolutie in de weg staat en zelfs geen goed gerichte intelligentie, maar de intuïtie is noodig, zoodat zelfs de wetenschap, het idool van alle evolutionisten (religieuze en antireligieuze) onbeteekenend wordt. De schrijver kan het christendom maar niet van zich af zetten en toch wil hij zichzélf verlossen, tóch wil hij de christelijke openbaring slechts aanvaarden voorzoover zij in zijn evolutietheorie past. De verlossing door Jezus is bij hem een zelfverlossing van de mensch („zich louteren, betere menschen worden, dichter naderen tot het volmaakte ideaal dat Christus is", p. 198), door navolging alleen. Het blijkt echter, dat de zaak toch weer niet zóó eenvoudig is, dat men alleen maar te willen heeft: „het tempo van de evolutie als geheel, die op zedelijk gebied verworven eigenschappen erfelijk zal maken, hangt niet alleen af van het geweten, maar ook van de evolutie. De mensch draagt door zijn geweten, zijn wil, tot de evolutie bij, maar hij kan zelf die selectie niet tot stand brengen" (255). De menschelijke vrijheid, waar de schrijver zoo hoog van op gaf, is toch weer onderworpen aan het evolutiestadium: „de natuurlijke selectie hangt nu af (niet van de langzaam werkende biologische wetten, maar) van het geweten, een manifestatie van hersenarbeid, gegrondvest op vrijheid, die bij ieder van ons het middel wordt waarover wij beschikken om vooruit te komen. Al naar de graad van evolutie, die wij hebben bereikt, kiezen wij voor progressie of regressie (246). Maar hoe kan nu een ware vrijheid van keuze aanwezig zijn, als deze afhangt van de stand der evolutie; hoe kan nu die evolutie een gevolg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 76

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's