Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 78

4 minuten leestijd

66

BOEKBESPREKING

en op het „niveau van de horde" staat (294) en we zouden dus ook het universeel toegeven aan de hormoonprikkels wel als ,,goddelijk" kunnen aanduiden. De schrijver vergelijkt Jezus, ,,de volmaakte mensch", en de martelaren, ,,die de volmaaktheid zeer dicht genaderd waren", met ,,zeldzame overgangsvormen", die „miljoenen jaren hun tijd vooruit wai'en en de latere ontwikkeling aankondigden van de stabiele soorten tenslotte bestemd om de aarde te bedekken" (195). Deze vergelijking hinkt ernstig, want de ,,overgangsvorm" is niet tevens de uiteindelijke soort, een tusschenschakel in de biologische evolutie is geen eindschakel. En als nu door een plotselinge bekeering (Franciscus) iemand van een „dierlijk" in een waarlijk „zedelijk" mensch verandert, is dat dan een evolutie, of zouden we niet liever van een „revolutie" spreken? ,,De mensch zou de strengste discipline aanvaarden, als hij overtuigd kon zijn, dat er geen conflict bestond tusschen godsdienst en wetenschap; als zijn intellectueele, redelijke ik niet altijd in botsing kwam met zijn intuïtief gevoels-ik" (204). Hier wordt de zooveelste tegenstrijdigheid in de gedachtengang van du Nouy openbaar: menschelijke intuïtie, menschelijk gevoel, intellect, gezond verstand, enz. worden op slordige wijze dooreen gebruikt en men weet tenslotte niet meer of men het een of het ander gehoorzamen moet, terwijl het toch allen attributen van het hoogere evolutiestadium zijn. Want nu blijkt opnieuw, dat niet de dierlijke erfenis van de mensch, maar zijn intellect de groote hinderpaal is tot aanvaarding van de zedelijke geboden der religie. Zijdelings geeft de schrijver nu een scherpe kritiek op sommige ,,modernistische" leiders, die, om de voeling met de menschheid niet te verliezen, het met de absolute zedelijke normen op een accoordje gooien (203). Hij doet een ernstig beroep op geleerden en opvoeders zich van hun verantwoordelijkheid tegenover de massa bewust te zijn bij de verspreiding van z.g. ,,wetenschappelijke" ideeën. Hij weet, dat de physici tegenwoordig even veel vertrouwen inboezemen als de priesters vroeger, dat de menschen nu gelooven in het electron, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, maar weigeren te gelooven in God, omdat ze zich geen voorstelling van Hem kunnen vormen (207). Het geloof m physische elementen, waarvan zij weinig af weten ,,heeft alle kenmerken van een irrationeel geloof, maar zij weten dat niet". Hij weet ook, dat velen van die z.g. vrijdenkers een ,,opvatting van vrijheid hebben, die bedenkelijk gelijkt op die van dictators" (209), een opmerking, die wy van harte onderschrijven, denkende aan het recente drama in de Russische Academie. In deze religieuze en antideterministische betoogen plonst dan als een steen in een spiegelgladde vijver plotseling de opmerking (ter excuseering van het ontstaan van ,,nuttelooze" „mislukkingen" in de natuur) de opmerking, dat — een hoogere macht de natuurwetten eenmaal ingesteld hebbende — „deze macht zelf niet kan beletten, dat de verschijnselen zich afspelen in de richting, die deze wetten noodzakelijk maken", want anders zouden er geen wetten meer zijn, maar willekeur (223). De ter eere Gods uitgeworpen starre wetmatigheid komt hier ter verontschuldiging Gods terug, met gevolg, dat God blijkbaar niet beschikt over dezelfde vrijheid als de mensch: God is gebonden aan zijn zelf geschapen natuur en moet naar deïstische wijze nu maar rustig toezien, dat alles verloopt zooals het loopt. De mensch echter kan (volgens andere citaten) ingrijpen in zijn eigen evolutiegang en is dus méér dan God! In hoofdstuk XV over voeding en onderwijs, verwacht de schrijver niet veel van de intellectueele opvoeding, maar van de zedelijke opvoeding verwacht hij zooveel te meer (zie pp. 238 vv.). Als hij daarover spreekt, meent men de stem der Fransche encyclopaedisten te hooren, die ook de deugd ,,leerbaar" achtten, maar alleen de nadruk meer op het intellect legden. De boosheid van het menschelijk hart heeft volgens

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 78

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's