Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 75

4 minuten leestijd

BOEKBESPREKING

63

is, zien we toch niet in. Het lijkt ons eerder zoo, dat hij zijn irrationeel (door traditie en opvoeding) verworven christelijke moraal en zijn irrationeel geloof in de evolutie met de wetenschappelijke biologie en het Genesisverhaal tot één geheel versmolten heeft, tot een biologischpsychologisch-religieuze ethiek, die in wezen niet rationeeler is dan het geloof in de openbaring op Sinai. Trouwens: zijn rationeele houding wil terecht niet met een rationalistische gelijk gesteld worden. Hij wijst op de naïeve geloovigheid waarmee het rationalisme de schokken van de laatste jaren, het omverhalen van de natuurkundige theorieën, die het steeds als absolute, blijvende waarheden voorgesteld had, toch doorstaat; hij wijst er op, dat het rationalisme, dat een bovennatuurlijke scheppende kracht verwerpt omdat het er zich geen voorstelling van kan maken, wél het neutrino en het antineutrino, uitgevonden op gronden van louter mathematische symmetrie, aanvaardt (153). Het rationalisme wordt door de schrijver beschouwd als de Lucifer in de geestelijke strijd en de intelligentie zal „in feite bijna altijd staan tegenover geestelijke en moreele ontwikkeling" (152); het leidt tot een nuttigheidsmoraal, die tegen de evolutie ingaat (272—274) en daarom zal de mensch niet alleen zijn lagere instincten moeten overwinnen, maar ook de gewoonten, die gevolg zijn van de techniek (153). De functies van de hersens kunnen ook de evolutie tegen werken; de ontwikkeling zelf van het menschelijk verstand maakt de ware ontwikkeling moeilijk en alleen diep religieuze menschen zijn aan de besmetting ontsnapt (155). Hier blijkt dus, dat de definitie van het goede, die eerder (p. 149) gegeven is, toch niet voldoet: nu blijkt niet de dierlijkheid, maar juist het mensch-zijn het groote gevaar op te leveren en de zondeval iets meer te zijn dan een louter toegeven aan de gevolgen van klierafscheidingen! Toch laat hij weer volgen, dat de zedelijke code allervolmaaktst is, als bij tooverslag verscheen in alle deelen van de wereld en aanvaard werd door triomf in het innerlijk conflict tusschen mensch en dier (157). Wij zien dus, hoe du Nouy, na eenerzij ds tot de erkenning gedwongen te zijn, dat de zedelijke strijd in de mensch een strijd van mensch met mensch is („God" en „Satan"), toch weer terug valt in zijn oorspronkelijke opvatting, dat het een innerlijke strijd van mensch met dier is. Misschien speelt hier de christelijke gedachte van de strijd „tegen het vleesch" een rol en, hoewel hij geen ascetisme wil, steekt er toch iets van de geringschatting van het lichaam, vergeleken bij de geest, in zijn betoog. Tot de opvatting, dat de zondeval een strijd van de geheele mensch (lichaam en geest beiden) tegen God is. komt hij niet en dat toont, dat hij, hoewel een ernstige religieuze natuur en een kenner van de Bijbel, toch een vreemdeling tegenover de Bijbel gebleven is. Het kwaad is bij hem geen zonde, maar zwakheid, of liever achterlijkheid! Zoo wordt bij Roni. 7 : 26 (ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde") de zonde als onderwerping aan de physisch-chemische wetten en de wet Gods als de wet der evolutie geïnterpreteerd (253). Daar staat echter weer tegenover, dat hij elders zegt, dat „de bron van alle kwaad in de substantie van de mensch zelf Ugt" (256, 289). De intellectueele en de zedelijke evolutie hebben niet altijd gelijke tred gehouden (160) en de groote massa van niet-geëvolueerden kon voor de anderen nog wel eens een gevaarlijke bedreiging worden (161). De auteur vergelijkt dit met de biologische evolutie, maar de vergelijking gaat in zijn systeem natuurlijk niet op, daar de zedelijke evolutie niet erfelijk is, maar door ieder individu (door vrije wil) afzonderlijk verworven wordt. De schrijver zegt bovendien zelf, dat de evolutie in de breedte moet voortschrijden (157), zoodat individueel de top hier en daar al lang bereikt is! Merkwaardig is ook de uitspraak, „dat het werken tegen de evolutie, tegen de goddelijke wil" (164) bij het dier (waar-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 75

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's