Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 77

4 minuten leestijd

BOEKBESPREKING

65

van de keuze zijn („als de mensch de overwinning behaalt in de strijd tegen.. de dierlijkheid en tegen de heillooze uitwassen van zijn geest. . verwerft hij de menschelijke waardigheid", p. 246) en tegelijkertijd de keuze een gevolg zijn van het evolutiestadium („de christelijke deugden zijn in werkelijkheid het gevolg van de wetten der evolutie", p. 65). Hoe kan hij nu zijn eigen evolutie bewerken en tevens het product van zijn eigen evolutie zijn in een theorie, die toch rationeel zijn wil? Het blijkt dan ook, dat de mensch ,,een voorlooper is van een schooner en volmaakter ras, dat gedeeltelijk zijn werk zal zijn" en dat hij slechts medewerker is in het groote goddelijke evolutieplan C295). De wil werkt mee, maar de evolutie zelf is gevolg van de anti-kans, die de verworven eigenschappen vast houdt en selecteert (zegt de schr. op p. 254, maar op p. 246 deed het geweten het!). Vermoedelijk zijn hier reminiscenties aan de roomsche opvoeding van den auteur aan het werk. Misschien naderen we het dichtst zijn bedoeling als we zeggen, dat hij een geestelijk lamarckisme huldigt (erfelijkheid van de door opvoeding verworven zedelijke eigenschappen), hoewel daar tegenover aan te voeren is, dat in elk geval de eerste leermeesters in dit opvoedingsplan „mutaties" geweest zyn, b.v. Jezus, Mozes, Boeddha en Confucius. „Weinigen zullen de strijd van de geest tegen het vleesch aanvaarden, zij zijn even zeldzaam als de muteerende vormen aan het begin van iedere transformatie", p. 168). Jezus is voor du Nouy de „volmaakte mensch", hèt voorbeeld ter navolging, ook in zijn offerbereidheid aan het kruis; het christendom is de „wijste menschelijke traditie" (278), die misschien nooit zich ontwikkeld zou hebben als Jezus niet gekruisigd was (272), maar ieder moet zijn eigen methode vinden en die is goed als ze het geloof in de menschelijke waardigheid maar versterkt (265). Verder komt du Nouy niet: de Opstanding wordt in deze natuurlijke godsdienst nooit zelfs maar genoemd. Vermoedelijk rekent hij deze tot het onschadelijke bijgeloof, dat in de loop van de evolutie vanzelf zal uitsterven. Want de hoogere godsdienst heeft zich ontwikkeld uit het primitieve bijgeloof (184—187). Dit neemt tweeërlei vorm aan: een constructieve (d.w.z. bijgeloof, dat nu eenmaal behoort bij het stadium waarin het ontstaat) en een regressieve, archaïsche, die de vooruitgang tegen gaat (187). De Kerk heeft onschuldige vormen van bijgeloof moeten dulden om invloed te behouden op de massa en de oeroude instincten daarvan in minder gevaarlijke banen te leiden en dit verontschuldigt de roomsche kerk, die toelaat dat de menschen soms een tastbare menschelijke god aanbidden (een heiligenbeeld), liever dan een almachtige en ongenaakbare idee (190). De wereld is nog niet rijp voor de leer uit Jacobus 1 : 27 en „de kerken beseffen dit heel goed" (191) en hebben een compromis gesloten. „De menschheid is nog lang niet het stadium van haar kinderjaren te boven, het stadium van de prentenboeken. Kan men er de Kerk een verwijt van maken, als ze soms haar beelden heeft ontleend aan een ander verhaal en die tusschen het hare heeft ingevlochten?" (192). De schrijver meent, dat de oorspronkelijke gelijkheid der godsdiensten door toevoegsels in de loop der tijden is verdoezeld (193), wat niet heelemaal klopt met zijn uitspraak over het ontstaan der godsdiensten uit oud bijgeloof. „De eenheid van de godsdiensten moet gezocht worden in wat goddelijk, nl. universeel, is in den mensch en niet in wat er menschelijks is in de leer" (193). Het kan niet duidelijker gezegd worden, dat het eenige fundament, de eenige openbaringsbron voor deze religie de mensch is, al wordt die dan ook het best gezien in de mensch Jezus (p. 195). Ook is ons de logica niet duidelijk, dat het verlangen om zichzelf te verheffen van goddelijke oorsprong is, „omdat het universeel en identiek is in alle menschen" (197); de schrijver heeft ons namelijk steeds weer voorgehouden, dat de groote massa dat verlangen niet kent

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's

1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 77

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's