1949 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 68
56
Dr J. P. VAN ROOIJEN
van het rusteloze onderzoek steeds klaarder voor onze geest zal verrijzen, totdat het eenmaal in zijn volle luister zal schitteren. Het is zonder meer duidelijk, dat in deze gedachtengang een volstrekt determinisme wordt aanvaard. Maar de universele wetmatigheid en het daaruit resulterende determinisme mogen dan ook slechts worden beschouwd als een afspiegeling van de nimmer onderbroken uniformiteit, die de eeuwige God in Zijn wereldregime betracht. Van enigerlei beperking nopens de voorzienigheid is geen sprake, want de Almachtige zelf heeft Zijn providentieel bestel aan door Hem verordineerde regelen gebonden. En wanneer deze regelen zich op grond van ons onderzoek manifesteren, dan is er geen reden voor hovaardij of miskenning der Goddelijke voorzienigheid, doch past de mens aanbidding en lofprijzing, die met luider jubel klinkt, naarmate het geloofsoog de rangorde in 's Heren mogendheden vermag te ontdekken. Om deze redenen meen ik, dat de christen het postulaat van een volstrekt gesloten natuurcausaliteit dient te handhaven. Hiermede bedoel ik allerminst de veelheid van verschijnselen tot een simpel schema te herleiden; veeleer ben ik overtuigd, dat de schriftgelovige onderzoeker juist in deze gedachtengang voor een zware taak wordt gesteld. Dan immers, wanneer de natuurwetenschap in haar voortgaande ontwikkeling terzake van het causaliteitsprincipe schijnbaar onoplosbare problemen ontmoet, zal de christen naar luid van het door hem beleden determinisme zulke vraagstukken uitsluitend in het licht van een vaststaand eindresultaat mogen bezien. Nogmaals en met sterke nadruk moge ik er intussen op wijzen, dat het door mij verdedigde beginsel geen autoritaire en in zichzelf bestaande natuurcausaliteit betreft, doch een afschaduwing van de eeuwige harmonie in de werken der Goddelijke voorzienigheid. Het behoeft wel geen betoog, dat een deterministische natuurbeschouwing zich ook tot de organische wereld zal uitstrekken en te dien opzichte gevoel ik inderdaad geen behoefte aan enigerlei restrictie. W e l is waar zou in dit verband de vraag gesteld kunnen worden, of dusdoende aan de wilsvrijheid van de mens niet te kort wordt gedaan. Ongetwijfeld schuilen hier eigenaardige moeilijkheden, maar het wil mij voorkomen, dat zij door de aantasting van de causallteitsidee nauwelijks verzwakken. In ieder geval is de dualiteit tussen de onvoorwaardelijke belijdenis, dat God de eerste oorzaak van al het gebeuren is en de handhaving van 's mensen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 232 Pagina's