1950 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 60
48
Dr H, P. WOLVEKAMP
daar ligt uiteraard het primaire sensibele centrum; de motorische cellen, die de spieren innerveren, liggen bijeen in z.g. motorische kernen, maar ook centra van de tweede en derde orde laten zich vaak, zo niet in de regel, nog behoorlijk localiseren. Daarentegen krijgt men bij de ,,hogere", ingewikkelde hersenfuncties (en zelfs voor het ruggemerg schijnt dit tot op zekere hoogte te gelden) de indruk dat de betreffende gelijksoortige processen in verschillende delen van het centrale zenuwstelsel kunnen aflopen en dat zeer grote hersengebieden bij deze waarneming of handelingen betrokken zijn. Ook ,,verplaatsing" der centra treedt in bepaalde gevallen op, speciaal na beschadigingen. De analyse der intra-centrale processen. Twee vragen dringen zich nu op. Ten eerste: is het niet mogelijk de plaats der verschillende intracentrale processen nauwkeuriger te omschrijven dan met behulp van klinische observaties en van extirpatieproeven mogelijk is. Ten tweede: welke factoren verhinderen en bevorderen de impulsoverdracht van het ene neuron op het andere? Dat n.l. de excitatieprocessen een veel beperkter aantal banen volgen dan anatomisch gegeven zijn blijkt reeds uit het overbekende feit dat bij strychninevergiftiging een veel groter aantal zenuwcellen en banen in de excitatieprocessen betrokken zijn dan normaliter ooit het geval is: een eenvoudige prikkeling van de huid wordt gevolgd door een chaotische, krachtige contractie van bijna alle skeletspieren (strychninekrampen). Deze tweede vraag, waarop eerst door het werk van S h e r r i n g t o n (27) en L a p i q u e, later o.a. door de onderzoekingen van M a t t h e w s en B a r r o n , L o r e n t e d e N ó en vele anderen wel enig licht is verspreid, maar nog lang geen afdoend antwoord is verkregen, zou, in een beknopte uiteenzetting veel te veel plaatsruimte vergen en moet dus onbesproken blijven. Over de plaats waar in de hogere hersendelen zich acitiviteitsprocessen afspelen en over hun intensiteit wordt ons enig licht verschaft door de registratie der electrische verschijnselen. H. B e r g e r (1929) was de eerste die er in slaagde duidelijke electro-encephalogrammen te registreren. Hier te lande werd in de Amsterdamse laboratoria en klinieken over dit onderwerp gewerkt (5). Het aantal publicaties over de gehele wereld dat be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1950
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 228 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1950
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 228 Pagina's