1950 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 48
36
Dr H. P. WOLVEKAMP
keiijk is, dat deze met een bepaalde, constante fractie van de laagste der twee vergeleken prikkelsterkten vergroot wordt. Wanneer men dus, met behulp van de spierzin bij belasting van de uitgestrekte arm het verschil van de gewichten 100 g. en 105 g. kan waarnemen, zal bij een aanvankelijke last van 200 g, een extra belasting pas waargenomen worden wanneer deze minstens 10 g. bedraagt. Maar het is duidelijk dat hierbij wèl de prikkelsterkte quantitatief is vastgelegd, niet echter de gewaarwording zélf wordt gemeten. Er is slechts sprake van het sterker zijn van een der twee vergeleken gewaarwordingen. Hoeveel sterker die gewaarwording is kan echter weer niet bepaald worden. M.a.w. er is geen quantitatieve precisering der gewaarwordingen die correspondeert met bepaalde, gedoseerde prikkels. Een verdere toelichting van dit bezwaar, dat het eerst door v o n K r i e s (20, zie ook 32) naar voren gebracht is, kan het best aan de hand van een concreet voorbeeld gegeven worden. Wanneer men een aantal grijze vlakken van verschillende tint zó uitkiest en zó rangschikt dat de verhoudingsgetallen, die de hoeveelheden licht die teruggekaatst worden weergeven, een meetkundige reeks vormen, dan ziet men een voor ons bewustzijn harmonisch gerangschikte schaal van tinten, waarvan men meestal zegt. dat de ,,afstanden" tussen de afzonderlijke componenten als gelijk groot worden waargenomen (Ostwald, 24). Voor zover de uitdrukking ,,afstand" suggereert dat hier iets is dat g e m e t e n kan worden, is ze stellig onjuist. Men gaat eenvoudig af ,,op een indruk", maar een ,,maatstaf" ontbreekt. Waanneer men bijv. het nog juist waarneembare verschil in helderheid tussen twee belichte vlakken, corresponderend met twee lichtintensiteiten I^ en I2 als maateenheid zou accepteren, dan stuit men op de volgende moeilijkheden. In de eerste plaats zou deze maat slechts voor één bepaalde persoon gelden. In de tweede plaats heeft men niet de garantie, dat de maateenheid constant blijft bij gewaarwordingen in verschillende psychische intensiteitsgebieden. De minimale intensiteitswaarnemingssprong zou in het donkergrijs bijv. een andere waarde kunnen hebben dan in het lichtgrijze gebied; een middel om dit uit te maken hebben we echter niet. En onmiddellijk hierbij aansluitend moeten we ook vaststellen dat het even onmogelijk is uit te maken of het verschil tussen twee grijstinten 2, 3 of meer maal zo groot is als het minimum perceptibile. W^at geldt voor de gewaarwordingen gaat zeker in niet mindere
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1950
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 228 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1950
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 228 Pagina's