Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1951 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 196

2 minuten leestijd

172

Dr G. A. LINDEBOOM

Inductie is geen methode van onderzoek, maar een redenering. Sprayt noemt haar kenmerkend de opleidende redenering; zij leidt van bijzonderheden naar een algemenen regel; wanneer men deze werkzaamheid der rede zó op den voorgrond stelt als Bacon, kan men zijn boek daarover tot op zekere hoogte terecht een nieuwe logica noemen. Maar het is alweer onhoudbaar, dat in de wetenschappen der natuur geen deductie wordt toegepast. Deductie dient niet zozeer om iets uit te vinden, dan wel om iets aan te tonen, uiteen te zetten, te demonstreren, ze kan eindigen met een; quod erat demonstrandum. Het prototype der deductie vindt men in de Aristotelische syllogismen. Een syllogisme bestaat uit twee stellingen, proposities: de major en de minor, en de gevolgtrekking (conclusie), die onvermijdelijk is, als de proposities eenmaal zijn aanvaard. (Bijvoorbeeld: propositio major; alle mensen zijn sterfelijk, minor: alle koningen zijn mensen, ergo: conclusie: alle koningen zijn sterfelijk). Aan de klem van het syllogisme is alleen te ontkomen door een der stellingen te ontkennen; gegeven de stellingen, volgt de conclusie dan denk-noodwendig. De zenuw van het syllogisme bevindt zich in de minor, die een kleinere groep rangschikt onder de door de major bestrekene. Nu is de inductie niet per se tegengesteld aan het syllogisme, want Aristoteles kende ook het epagogisch syllogisme, zoals: het paard, de koe, de kat zijn sterfelijk; paarden, koeien en katten zijn dieren; ergo; dieren zijn sterfelijk. De inductie heet bij Aristoteles dan ook epagoge (Cicero) '''), en zij is in zijn logica vertegenwoordigd door het epagogisch syllogisme. Bacon heeft echter niet veel meer dan minachting voor deze Aristotelische inductie, deze enumeratio simplex — eenvoudige opnoeming, en acht die waardeloos, vergeleken bij de zijne. Ze laat inderdaad geen verdere veralgemening toe, dan de opsomming reikt, en uit het genoemde voorbeeld kan men logisch niet concluderen, dat alle dieren sterfelijk zijn. Overigens echter achtte John Stuart Mill, die later 4 typen van inductie zou opstellen, deze mogelijk op voorwaarde, dat de wet der causaliteit geldt — maar deze wet zelf berust volgens hem op een enumeratio simplex — een inzicht, dat Bertrand Russell deelt en hem deze situatie zeer onbevredigend doet noemen. Hoe dit ook zij — terwijl de deductie alleen ontvouwt, demonstreert, aan het licht brengt, wat in de uitgangsstellingen al ligt besloten, en

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 224 Pagina's

1951 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 196

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 224 Pagina's