Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 34

2 minuten leestijd

22

Dr J. LEVER

tielen, de eerste landdieren die opgetreden zijn, en voor de vogels. Latere onderzoekingen aan de beide gevonden exemplaren van Archaeopteryx hebben de onderzoekers er van overtuigd, dat men hier met een primitieve vogel te doen heeft. Zijn voorouders zijn niet bekend en men mag hem ook niet als de stamvader van de latere vogels beschouwen. Ook de verschillende zoogdier-groepen zijn gescheiden van elkander, zonder aanwijsbare overgangsvormen, gedurende het Mesozoïcum opgetreden. Evenals Heribert Nilsson trekt Kuhn uit al deze gegevens enkele conclusies, die zich lijnrecht stellen tegenover het klassieke evolutionisme van de geleidelijkheid. Zo zegt hij b.v. : ,,An geschlossenen Stammbaumen haben wir gar nichts, aber auch gar nichts aufzuweisen. . . . " (p. 69). „Wir haben also keinen exakten Beweis für durchgehende genetische Verbindingen...." (p. 84). „Wir sind also bei der Frage nach der Herkunft der Typen einstweilen an der Grenze naturwissenschaftlicher Erkenntnis angelangt" (p. 84). „Niemals findet man jene Formen, die an die Verzweigungsstellen des Stammbaumes zu setzen waren. Sie müssten, waren sie auch noch so kurzlebig gewesen, doch einmal in der erdrückenden Fiille des Materials zu finden sein wenn sie nur gelebt hatten. Aber sie haben nicht gelebt und die Typen waren stets von Anfang ihres Auftretens an getrennt, darum finden wir auch nur die geschlossenen orthogenetischen Reihen, diese aber in grosser Zahl. Das und nichts anderes lehrt die Palaontologie. Man sollte endlich die Konsequenzen daraus ziehen und die Dinge nehmen, wie sie sind, anstatt vorgefassten Meinungen zuliebe Phantasiestammbaumen nachzujagen" (p. 88). Uit deze publicaties van Nilsson en Kuhn blijkt wel heel duidelijk dat er in de palaeontologie een nieuw geluid gehoord wordt. De klassieke evolutietheorie is verdrongen naar het tweede plan. Zij kan alleen de nadere uitwerking van de op de één of andere wijze gegeven typen verklaren. Want het evolutiefeit, beschouwd in de zin van de typen-elasticiteit, blijft onverminderd gelden. Kuhn zegt hier b.v. van: „Die Tatsache der Abstammung an sich bleibt bestehen. Nur ist Abstammung über die typologisch festgelegten Grenzen hinaus nirgends nachweisbar. Wir können also wohl von einer Descendenz innerhalb der Typen, nicht aber von einer Descendenz der Typen sprechen" (p. 94). Men zou misschien denken dat deze gedachten slechts zeer schaars in de huidige theoretische biologie gehoord worden. Deze feiten zijn echter de laatste tijd naar voren gebracht, o.a. door Böker (1935), Schindewolf (1937), Goldschmidt (1940), D'Arcy Thompson (1942), Adolf Meyer (1943), Rensch (1947), Simpson (1947). Bij de meeste

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 34

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's