Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 29

2 minuten leestijd

HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID

17

daarom leert hij ook voor het eerst de historische t}'penafleidbaarheid, de typenafstamming. Dit brengt met zich mee dat Lamarck's practische systematiek ook anders werd. Door zijn tijdgenoten, en door Linnaeus, werden, omdat zij het meest op de mens geleken, de zoogdieren de dieren van de Ie graad genoemd. Lamarck noemde die dieren, waar alle andere dieren van afstammen, de dieren van de Ie graad, naar zijn opinie de Infusoria. De polariteit van de systematiek werd dus omgekeerd. Wij zien hier dus duidelijk geïllustreerd hoe in het practisch biologisch onderzoek, Lamarck's theoretische instelling, zo men wil zijn philosophic of zijn religieuze beschouwingen, een overwegende rol hebben gespeeld. Hetzelfde geldt voor Darwin, maar in nog veel sterker mate voor Haeckel. Bij de laatste wordt de gehele biologie dogmatisch gebaseerd op de totale evolutie van anorganische stof, via generatiospontanea, en via geleidelijke typenevolutie tot aan de mens toe. De idealistische morphologie wordt tot de nieuwe mode verknipt en van haar essenties ontdaan. De door zuiver verstandswerk opgebouwde „typen" worden vaak klakkeloos omgevormd tot de historische oervormen, de morphologische reeksen worden stambomen en de typische embryonale ontwikkeling wordt gezien in het licht van de biogenetische wet: „de ontogenie is een herhaling van de phylogenie". Ook bij Haeckel zien wij de practische biologie gebonden aan zijn wereldbeschouwing. Het mooist komt dit tot uitdrukking bij zijn antwoord op de vraag hoe men van de evolutie van een bepaalde diervorm kennis kan verkrijgen. Volgens hem zijn er 3 kennisbronnen : 1. allereerst natuurlijk de palaeontologie, die met behulp van de fossielen ons voor onweerspreekbare feiten kan plaatsen; 2. maar vervolgens ook de vergelijkende anatomie en 3. de embryologie. Het is duidelijk dat de beide laatsten ons pas iets, zij het altijd indirect, over de afstamming kunnen meedelen, wanneer de evolutie al bewezen is. Wanneer men weet dat groep B van groep A afstamt, kan men, als men een individu van B vindt, zeggen, dat het van A afstamt. Heel duidelijk wordt ons Haeckel's methode als wij zien hoe hij de afstamming van de Mollusca bespreekt in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte". Men begrijpt dat fossiele schelpen van de mollusken ideale objecten voor dit onderzoek kunnen zijn. Helaas hebben deze „für die Stammesgesehichte nur geringen W e r t . . . . weil die eigentliche Entwicklung des Stammes in die altere Primordialzeit fallt, aus welcher uns keine deutlichen Versteinerungen erhalten sind". (12e druk, p. 423). De palaeontologische basis ontbreekt dus

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 29

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's