1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 27
HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID
15
baseren zich nu ieder op één zijde van Leibniz' denken: de constantie-biologie op de „vérités éternelles", de continuïteitsbiologie op de „lex continuï", waarbij zij deze wet heeft verhistoriseerd. Wij moeten allereerst de geschiedenis nader bezien. Zoals men weet heeft Linnaeus, de grondlegger van de moderne systematiek, de zin uitgesproken „Species tot numeramus quot diversae formae in principio sunt creatae" en al heeft hij later deze zin wel wat meer aan de werkelijkheid aangepast, de ondertoon in zijn werk en de grondgedachte van zijn systematiek was en bleef een „constantieideaal". Dit ideaal dankte hij in vele opzichten natuurlijk aan de Bijbel-interpretatie van zijn tijd. Toch meent Uhlmann te moeten constateren: ,,eine gewisse erkenntnistheoretische Abhangigkeit Linné's von der platonischen Begriffslelire über Leibniz ist unverkennbar". (Entwicklungsgedanke und Artbegriff, 1923, p. 19). Deze constantiegedachte van Linnaeus is door diens grote navolger in de biologie Cuvier nader uitgewerkt en verdiept. Cuvier, van wie de bekende intermitterende-scheppingstheorie, de catastrophenleer, afkomstig is, meende n.l. dat de huidige dierenwereld niet als één geheel beschouwd moet worden, maar als een product van 4 onafhankelijke scheppingsdaden van God, waardoor dus ook 4 onafhankelijke dierenrijken, die niets met elkander te maken hebben, te onderscheiden zijn. Deze 4 dierenrijken zijn de Vertebrata (vissen, amphibiën, reptielen, vogels en zoogdieren), Articulata (b.v. kreeften en insecten), Mollusca (b.v. slakken en inktvissen), Radiata (b.v. koralen en kwallen). En niet alleen dat deze 4 dierenrijken onafhankelijk van elkander zijn geschapen, de dieren die tot één van die rijken behoren hebben allen een zekere structurele gelijkenis, zij zijn gebouwd volgens een bepaald „plan general", „d'après laquel tous les animaux semblent avoir été mcdelés". (Le règne animal; Les mammifères, 1828, p. 54). Door deze constantiegedachte en door deze idee van een „plan general" is Cuvier de voorloper geworden van één van de meest typische biologische wetenschappen, n.l. van de ,.idealistische morphologic", ook wel „typologie" of „oude vergelijkende anatomie" genoemd. Deze is vnl. ontwikkeld door Vicq d'Azyr en Geoffroy St'Hilaire in Frankrijk en door Goethe in Duitsland in het begin van de vorige eeuw. Deze idealistische morphologic is opgebouwd op de constantiegedachte, welke constantie zij bindt aan het „type"-begrip, het „plan general" van Cuvier. Men zocht naar de eenheid in de veelheid van vormen, men zocht naar „het gewervelde dier", naar „de vogel", „het weekdier", waarbij men dan zo'n „type" als de grootst gemene deler van de groepseigenschappen ook wel oervorm noemde, zonder aan dit woord enige historische waarde te hechten. Men kan b.v. een oervorm, een type „Vertebraat" opstellen door in gedachten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's