1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 32
20
Dr J. LEVER
bezwaar van de geringheid van het palaeontologisch materiaal niet meer geldt. Men is de laatste jaren tot de opvatting gekomen, dat de palaeontologie momenteel de hoofdlijnen van de geschiedenis van het leven wel kent en dat de flauwe omtrekken van de wetmatigheden in de ontwikkeling zijn aan te geven. De Zweedse botanicus Heribert Nilsson heeft in 1941 een boekje geschreven: ,,Der Entwicklungsgedanke und die moderne Biologie", waarin hij nagaat wat de palaeobotanie momenteel aan gegevens betreffende de typenafleidbaarheid te bieden heeft. Daar de overwegend evolutionistische tendens in de huidige biologie deze gegevens overschaduwt, en deze daarom niet algemeen bekend zijn, is het van belang Nilsson's redenering hier kort weer te geven. Hij begint met terug te grijpen op wat wij zouden kunnen noemen de botanische idealistische morphologic. Hofmeister heeft n.l. in het midden van de vorige eeuw, dus voor de opkomst van het evolutionisme een soort morphologische reeks van de hogere planten opgesteld met betrekking tot hun generatiewisseling en embryologie: mossen — varens — watervarens — cycadeeën — coniferen — angiospermen. Toen nu enkele jaren later de evolutietheorie opkwam, werd deze morphologische reeks tot stamboom gemaakt. Alle hogere planten zouden in de genoemde reeks van de mossen afstammen. Nilsson merkt terecht op, dat wanneer de palaeontologie voor deze stamboom feiten zou leveren, er tegen deze redenering geen bezwaar zou zijn. De feiten wijzen echter iets geheel anders uit. De mossen, die wij het eerst zouden versvachten, verschijnen pas aan het eind van het Mesozoïcum in het Krijt, terwijl de zaadplanten, die aan het eind van de reeks staan, al in het Palaeozoïcum, voornamelijk in het Carboon, in de vorm van de Pteridospermen zijn opgetreden. Doordat in het Siluur geen hogere planten zijn voorgekomen en plotseling in het Devoon de Pteridospermen en waarschijnlijk ook de varens zijn opgetreden, moet ook de redenering vervallen dat de ontwikkeling van deze hogere planten geleidelijk voor het Devoon kan hebben plaats gehad. Aan het eind van het Palaeozoïcum verdwijnt even plotseling als zij gekomen is, de gehele Pteridospermenflora weer. Aan het begin van het Mesozoïcum verschijnen dan plotseling weer nieuwe en geheel anders gebouwde zaadplanten, de Bennettitinae, die later weer geheel uitsterven. En deze groep van planten was ook weer geheel verschillend van de tegenwoordige zaadplanten. Nilsson zegt: „Die drei Gruppen bezeichnen drei ganz freistehende Konstitutionstypen, Bauplane, Reaktionskomplexe, wie man es nun ausdrücken will" (19). De moderne zaadplanten, de Angiospermen, verschijnen plotseling in het onder-Krijt, zonder dat wij speciale voorouders kunnen aangeven. Hier komen vele van de tegenwoordige geslachten en zelfs
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's