1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 26
14
Dr J. LEVER
het universum zelf. Ja, pas toen men de christelijke opvatting als absurd bijgeloof begon te beschouwen en teen men de typisch biotische of psychische wetmatigheden begon te herleiden tot physischchemische, zodat men tenslotte nog slechts een louter moleculaire wereld over hield. Het is daarom goed allereerst vast te stellen dat de consequente evolutie-theorie voortgekomen is uit de gedachtenwereld welke van het orthodoxe christendom was afgestapt, en vervolgens ook dat vanuit de philosophic, die de andere wetenschappen vaak ver „vooruit" is, de eerste aanvallen op de scheppingsbiologie, op het creationisme, zijn voortgekomen. En hoewel Haeckel Spinoza als de grote philosoof van de moderne biologie beschouwde, is toch een ander, nl. Leibniz, degene geweest die, althans indirect, de materialistische en dus de evolutionistische tendens, in de biologie geïmporteerd heeft. Het eigenaardige feit heeft zich echter voorgedaan, dat Leibniz door zijn monadenleer niet alleen de basis voor de evolutionistische continuïteitsbiologie, maar ook voor de constantie-biologie heeft gelegd. Dit werd veroorzaakt door het dubbelzinnig karakter van deze philosophic. Leibniz meende n.l. dat de werkelijkheid is samengesteld uit een oneindig aantal kleine substanties of monaden. Deze vormen als het ware de wereld achter de dingen. Zij zijn geheel in zich zelf besloten en kunnen niet op elkander inwerken, zij zijn wat Leibniz noemt „vensterloos". Zij hebben echter „voorstellingen" waarin de gehele wereld weerspiegeld wordt. Door een z.g. „harmonia praestabilita" worden al deze voorstellingen met elkaar in strenge overeenstemming gehouden. De monaden verschillen slechts van elkander door de helderheidsgraad van hun interne voorstellingen. En nu zijn, overeenkomstig het continuïteitsprincipe, de „lex continui", zoals Leibniz deze in de wiskunde ontdekt had, ook de voorstellingen der monaden in een continue reeks van helderheidsgraden geordend, waarbij de overgangen tussen twee opeenvolgende monaden oneindig klein zijn. Zo zijn de monaden in een opklimmende continue metaphysische orde gevoegd, die een rechte lijn vormt van de materiemonaden, via de planten, de dieren, de mensen, de geesten en de engelen tot de hoogste monade: de Godheid. Dit beeld van Leibniz heeft twee, elkander enigszins tegenoverstaande, kern-ideeën : In de eerste plaats zijn de monaden starre onveranderlijke eenheden, die door God geschapen zijn, z.g. „vérités éternelles", „eeuwige scheppingsideeën". In de tweede plaats zijn zij in een geleidelijke orde gevoegd, waarbij zij in een gedachtenproces uit elkander zijn af te leiden, de „lex continui". De beide tegenover elkander staande richtingen in de biologie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's