1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 36
24
Dr J. LEVER
steekhoudende argumenten bekend die pleiten voor een erfelijkheid van verworven eigenschappen. Een tweede theorie die opgesteld is om de historische typenafleidbaarheid acceptabel te maken is die van de „fruhontogenetische Typenentstehung" van Schindewolf (Acta Biotheretica, 3, 1937). Ook zijn gedachtengang is met behulp van een voorbeeld te verduidelijken. Men heeft waargenomen dat de skeletten van bepaalde inktvissen, die men fossiel heeft gevonden, in opeenvolgende aardlagen een verandering hebben ondergaan. De oudsten hadden een recht skelet, hierop volgden er, die aan het eerste gedeelte van het skelet, dus aan het embryonaal het eerst aangelegde gedeelte, een kleine ombuiging hadden, de lateren waren geheel gespiraliseerd. Schindewolf concludeerde nu: „Der neuartige Typencharakter erscheint hier vielmehr Sprunghaft und unvermittelt am Gehausebeginn, also in fruhjugendlichen Entwicklungstadien" (197). Zijn theorie houdt dus in dat een nieuw type plotseling in jonge ontogenetische stadia optreedt. Hij komt er dan toe om in de geschiedenis van een type twee hoofdphasen te onderscheiden: 1. de „Phase der explosiven, fruhjungendlichen Typenentstehung" die gewoonlijk zeer kort duurt en 2. de „Phase der ruhigen, allmahlich fortschreitenden Ausgestaltung" van dit nieuwe typencomplex. Met deze theorie van Schindewolf hangt samen, dat hij meent dat „allmahliche Uebergangsformen zwischen den einzelnen Typen niemals gelebt haben". Zij zijn ondenkbaar. Van hem is de uitspraak dat, bij wijze van spreken, de eerste vogel uit een reptiel-ei gekropen moet zijn. Als verklaring voor de plotselinge jong-ontogenetische typenvorming neemt hij aan: „Spontane, von Zeit zu Zeit eintretende durchgreifende Veranderungen der Erbmassa". Afgezien van misschien nog andere bezwaren die men tegen de theorien van Boker en Schindewolf kan aanbrengen geldt een hoofdbezwaar, n.l. dat hun voorbeelden nog te laag in de systematische typen-hierarchie ingrijpen. Zij staan in het plan van geslachten, eventueel families. Wij zouden b.v. een verklaring voor het ontstaan van de zoogdieren uit de reptielen willen hebben. Deze poging is door Adolf Meyer, de grote propagandist voor het holisme, ondernomen. Bij de weergave van zijn theorie in de Acta Biotheoretica van 1943 begint hij met zich aan te sluiten bij de „Umkonstruktionstheorie" van Boker. Hij wijst er echter op, dat slechts die „Umkonstruktionen" mogelijk zijn, die reeds in het „Keimplasma", dus in de schat van genetische potenties, aanwezig zijn. Wat er niet in potentie inzit, kan er niet uitkomen. Hij vraagt zich dan af: „Wie ist auf evolutivem Wege eine wirkliche Steigerung des Potenzenschatzes der Keimzellen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's