1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 37
HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID
25
durch somatische Umkonstruktionen möglich? Unsere Antwort wird lauten: Durch Holobiose verschiedener Typen, alszo durch Typensynthese" (54). Wat verstaat hij hier onder? In zijn bekende boek ,,ldeen und Ideale der biologischen Erkenntnis" (1934) maakt hij dit aan een voorbeeld duidelijk. De welbekende korstmossen (de groene aanslag op bomen, Pleurococcus vulgaris, is er één), bestaan, zoals bij microscopische beschouwing blijkt, niet uit één soort organismen. Zij zijn symbioses van twee geheel verschillende soorten planten, die ieder tot twee verschillende hoofdtypen behoren, n.l. uit een wier en een schimmel. Samen vormen zij een ogenschijnlijk geheel nieuw type : het type korstmos. Meyer meent nu dat op deze wijze, wanneer de symbiose hechter wordt, uiteindelijk een nieuw type, uit de samenstelling van deze beide oudere typen, te voorschijn komt. Men begrijpt het geniale van deze vondst: hier komen twee typen, ieder met hun eigen genetische potenties, bijeen. Helaas is deze theorie onaanvaardbaar, daar geen enkel feit er op wijst dat b.v. de vogels ontstaan zijn door symbiose van een reptiel met een vlinder. Zijn hypothese, die hij ook nog ad absurdum doorvoert door te veronderstellen dat de cel en haar kern, en de verschillende organen van de lichamen der hogere dieren zo misschien wel door symbiose van oorspronkelijk gescheiden organismen zijn ontstaan, wordt dan ook door niemand tegenwoordig serieus genomen. Na dit summiere overzicht van enkele moderne oplossingen van het vraagstuk der typenafleidbaarheid, meen ik dat wij mogen concluderen dat de tijd van de huldiging van de gedachte van de volkomen en geleidelijke continuïteit, dus van het klassieke evolutionisme, voorgoed voorbij is. Hiermee is de morphologic in een geheel nieuw stadium gekomen. Algemeen wordt nu n.l. aanvaard dat men in de geschiedenis van de levende organismen zeer lange evolutielijnen kan onderscheiden, waarlangs de representanten van een bepaald type grote veranderingen op basis van dit type kunnen ondergaan, maar tevens dat men deze lijnen, wanneer men terug gaat in de aardgeschiedenis, plotseling geheel los van andere lijnen ziet eindigen. Of andersom: de typen verschijnen plotseling zonder overgangsvormen in de aardlagen; men kan ook zeggen: er zijn geen feiten bekend waaruit blijkt dat een bepaald type in een ander type is overgegaan. De opvatting van Leibniz komt zo, zij het gemoderniseerd, weer harmonischer naar voren. De verhistoriseerde ,,lex continui" ontvangt weer een tegenwicht in de constantheid van de „vérités éternelles" van de typen. Interessanter dan de vergelijking Leibniz — moderne biologie, is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's