Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 33

3 minuten leestijd

HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID

21

soorten van de Dicotylen, Monocotylen, Choripetalen en Sympetalen al te voorschijn. Deze Krijt-flora was zelfs rijker aan vormen dan de onze, zij was echter zeker niet primitiever. Het is geen wonder dat Nilsson concludeert; „Die grossen Erdfloren scheinen als abgegrenzte Variationsspharen aufzutreten. Sie zeigen nur Sukzession, keine Evolution" (21). En verder: Es ist ganz offenbar, dass die Forschungsresultate, die durch die Genetik und durch die Palaobotanik wahrend dieses Jahrhunderts erhalten worden sind, nicht von der Evolutionstheorie als konstruktive Theorie umfasst werden können. Die heutigen Arten scheinen zwar variabler zu sein, als man früher g l a u b t e . . . . , aber auch konstanter als sie auf Grund des evolutionaren Gedankenganges erachtet w u r d e n , . . . . Linné's Auffassung von der Konstanz der Arten scheint kein Dogma, sondern eine Tatsache zu sein. Unerklarlich sind auch vom Ausgangspunkt der Evolutionstheorie die durchaus ganz verschiedenen grossen Erdfloren wahrend der differenten geologischen Epochen. Sie stehen ohne Zwischenglieder da, auf einmal fertig und auf eiamal in gröszter Vielförmigkeit. Einmal um das andere tritt eine ganz neue Vegetation auf, ohne dass wir postulierte Vorfahren finden können. Diese Sukzession ohne Evolution mit Zwischenperioden von Tabula rasa erinnert an die Auffassung des Entstehens der Organismenwelt von Cuvier". „Mit Lamarck, Darwin und de Vries kommen wir nicht weiter. Linné, Cuvier und Mendel bzeichnen sicher den Gedankenweg, den wir einzuschlagen h a b e n . . . . " Deze zeer interessante publicatie van Heribert Nilsson is gevolgd door een even interessante van Kuhn in de Acta Biotheoretica van 1942. Deze zoöloog heeft n.l. nagegaan wat de palaeozoölogie ons aan reëele gegevens betreffende de afstamming van de Vertebraten heeft geleverd. De eerste gewervelde dieren traden op in het Siluur. Het waren merkwaardig gevormde vissen, die gerekend moeten worden tot de Agnathi. Zij bezaten n.l. geen kaken. Verder hadden zij een z.g. exoscelet: in hun huid lagen veelal grote pantserplaten. Reeds deze eerste Vertebraten traden in grote verscheidenheid op, zodat het zelfs noodzakelijk is een 5-tal onherleidbare typen bij deze vrijwel gelijktijdig opgetreden dieren te onderscheiden. Kuhn zegt dan ook: „nach den heutigen Erkenntnissen sind zahlreiche Bauplane innerhalb der Agnathi vorhanden, die sich nicht einmal theoretisch aufeineinder zurückfiihren lassen" (p. 64). Laat in het Devoon traden de haaien in twee verschillende typen op, zonder dat zij door overgangen met genoemde Agnathi samenhangen. Even revolutionair verschijnen de echte vissen in drie grote groepen (Crossopterygiërs, Dipnoi en Actinopterygiërs). Hetzelfde geldt voor de verschillende typen Ampliibiën en Rep-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 33

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's