1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 38
26
Dr J. LEVER
voor ons de vergelijking Bijbel — moderne biologie. In Genesis geeft God ons een openbaring betreffende Zijn Scheppingswerk en dus ook betreffende het ontstaan van de levende organismen. Zonder ons in allerlei theologische moeilijkheden te begeven, ons alleen richtend op de grote lijnen, die betrekking hebben op ons onderwerp, kunnen wij in Genesis 1, naar ik in alle bescheidenheid meen, de volgende hoofdmotieven vinden : 1. God heeft de levende organismen niet alle tegelijk geschapen, maar intermitterend. 2. God heeft de levende organismen niet in heterogene massa's geschapen, b.v. eerst een aantal zoogdieren, mossen, inktvissen, insecten, loofbomen en later nog een aantal malen dergelijke onsamenhangende partijen, neen. Hij schiep geordende groepen : „het kruid", „het gevogelte", „het kruipend gedierte". 3. God schiep de levende organismen karakteristiek: „naar hun aard". Ieder van de geschapen groepen was dus typisch. 4. God schiep de levende organismen aards; „dat de aarde uitschiete", „dat de wateren voortbrengen". Het kan niet anders dan dat de Ghristen, wanneer hij de resultaten van de moderne biologie beziet, deze beschouwd, beïnterpreteert, in het licht van deze duidelijke motieven uit Genesis. En dan valt ons de grote overeenkomst tussen Bijbel en biologie op. Ook de biologie brengt als feiten het intermitterend, groepsgewijs en typisch ontstaan der levende organismen. Er zijn tijden geweest dat het Christendom met een dergelijke constatering tevreden was. Er was overeenstemming en daarom kon de aandacht verder van deze of dergelijke problemen afgewend worden. De natuurwetenschap verloor de kerkelijke interesse totdat een natuurwetenschappelijke vondst de vrede kwam verstoren en de kerk een strijd inzette tegen de aangetoonde feiten om het systeem te kunnen redden. De constatering van de overeenstemming in grote lijnen tussen Bijbel en biologie mag ons daarom geen zand in de ogen strooien, want de grote problemen van het evolutionisme mogen voor de theologie niet in zo sterke mate gelden, voor christen-natuuronderzoekers blijven zij bestaan. De kernpunten door Haeckel voor het evolutionisme aangegeven, n.l. generatio spontanea en typenafleidbaarheid gelden voor ons als problemen onverminderd. De vraag hoe God bij de Schepping van het eerste leven te werk is gegaan, zal door ons wel nimmer natuurwetenschappelijk opgelost worden, maar dat hier voor ons als christenen een essentiële moeilijkheid ligt, blijkt wel daaruit, dat nog nimmer een theoloog op grond van het „dat de aarde uitschiete" en het „dat de wateren voortbrenge" de door de Bijbel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's