1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 31
HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID
19
opgewekt. Deze mutaties hebben de biologie geleerd, dat de soorten niet constant zijn. Het staat vast dat er een evolutie der soorten plaats heeft in een nauwe wisselwerking tussen ongerichte toevallige mutaties en het selecterend milieu. Van evolutionistische zijde is deze constatering als verklaring van de totale typenafleidbaarheid aangevoerd. Men redeneerde dan veelal als volgt: slechts de individuen zijn realiteiten, terwijl men ook in zekere zin de soorten als paringsgemeenschappen nog enige werkelijkheid niet kan ontzeggen. Alle hogere systematische begrippen als geslacht, familie, orde, klasse, phylum, e.d. zijn gedachtenproducten zonder reëele waarde. Wanneer nu de evolutie der soorten bewezen is, mag men dit als bewijs voor de totale evolutie en dus ook voor de typenafleidbaarheid doen gelden. Men ziet hoe hier de resultaten van de oude idealistische morphologic volkomen gepasseerd worden. Vanuit een dergelijk evolutionistisch standpunt is er van enige structuurvastheid, van een bestaan van typische structuren, geen sprake meer. Deze slordigheid is overal in de biologie en in verwante wetenschappen doorgedrongen. Ziet men ergens kleine veranderingen, zoals b.v. de resistentie van een muggenpopulatie aan d.d.t. of van bacteriën aan een sulfonamide-praeparaat, dan wordt dit verschijnsel in verband gebracht met typenevolutie, terwijl deze verschijnselen slechts de elasticiteit, de grote aanpassingsmogelijkheid, van de levende structuren aantonen. Wij kunnen ons een individu als een bol voorstellen, die uit verschillende lagen bestaat: in het centrum liggen de phylum-eigenschappen, hier omheen de klasse-eigenschappen, daarom de orde-, vervolgens de familie-, geslachts-, soort-, ras- en ten slotte aan het oppervlak de individuele eigenschappen. De veranderingen die bij de evolutie hebben plaats gehad zijn slechts rimpelingen in de buitenste lagen geweest. Dank zij de mogelijkheid van deze rimpelingen, dank zij deze elasticiteit, zijn vele vormen blijven bestaan die anders vermoedelijk al lang waren omgekomen. Waar ligt dan echter de grens van deze genetische elasticiteit? Zijn de geslachten of de families of de klassen constant? Het is niet onbegrijpelijk dat deze vragen door het nog pas ± 50 jaren bezig zijnde experimentele onderzoek nog niet opgelost zijn. Wij zullen ons dus moeten richten tot de palaeontologie die uit het archief van het leven ons misschien gegevens hierover kan verstrekken. En zo is inderdaad de laatste jaren, nadat de genetica voor velen niet geleverd had wat men van haar verwachtte, een vernieuwde belangstelling tot het vraagstuk van de palaeontologische typenafleidbaarheid waar te nemen. Wij zullen enkele resultaten van dat onderzoek moeten bezien. En dan zal ons opvallen, dat voor zeer vele onderzoekers het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's