1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 30
18
Dr J. LEVER
geheel. Hij concludeert echter: „Wenn wir daher den Stammbaum der Mollusken konstruieren wollen, so sind wir vorzugsweise auf die Urkunden der vergleichenden Anatomie und Keimesgeschichte angewiesen". En zo komt hij tot de volgende speculatieve hypothese: „Die hypothetische, prakambrische, seit Millionen von Jahren ausgestorbene Stammgruppe dieser Urweichtheire (Promollusca) können wir nun als Zwischenformen zwischen den niedersten heute noch lebenden Schnecken und gegliederten Vermalien (wormen, J. L.) vorstellen. In ihrer Ontogenie wird bereits die interessante Segellarve 'aufgetreten sein, welche heute noch in der Keimesgeschichte der meisten Mollusken vorübergehend scheint". Uit dit voorbeeld blijkt duidelijk hoe de typen, die door de idealistische morphologie als onafhankelijke eenheden werden beschouwd, door het evolutionisme op grond van theoretische overwegingen historisch van elkander werden afgeleid. De biologie is lange tijd in dit spoor verder gegaan. Zonder de palaeontologische gegevens af te wachten werd het evolutie-verschijnsel als generale biologische wet, waar alle typenconstantie aan ten offer moest vallen, in alle biologische subwetenschappen als uitgangspunt gekozen. Men zag wel dat de palaeontologie nog geen gesloten reeks aanbood, maar dit werd geweten aan de nog betrekkelijk geringe hoeveelheid gevonden materiaal. De hiaten in de grote keten zouden op den duur wel door nieuwe vondsten worden opgevuld. De gedachte van de geleidelijkheid in het ontstaan van nieuwe typen via overgangsvormen werd daarom vrijwel algemeen aanvaard. Zo werd de aandacht afgeleid van het historisch evolutiegebeuren naar de mechanismen, die de veranderingen hebben moeten veroorzaken. De verklaring van Lamarck: aanpassing en erfelijkheid van verworven eigenschappen werd door de opkomst van de moderne genetica na Weismann verworpen. In de plaats daarvan kwamen Darwin's selectiegedachte en Hugo de Vries' mutatietheorie. Deze beide mechanismen worden momenteel nog steeds als de belangrijkste gezien. Rensch noemt in zijn nieuwste boek: „Neuere Probleme der Abstammungslehre" van 1947 vier evolutie-mechanismen, n.l.: selectie, mutatie, isolatie en veranderingen van de populatiegrootte. Van deze vier zijn de mutaties verreweg de belangrijkste; selectie en isolatie zijn veelal slechts selectie en isolatie van mutanten. Mutaties zijn veranderingen van de erfelijke substantie, waardoor het nieuwe individu een ander kenmerk heeft dan z'n voorgeslacht. Het normale ronde rode oog van een Drosophila kan in het nageslacht plotseling staafvormig of bruin of wit zijn. Duizenden van deze mutaties zijn bij planten, dieren en mensen waargenomen. Zij treden spontaan op en zij kunnen ook kunstmatig, hoewel ongericht, worden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's