Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 35

3 minuten leestijd

HET VRAAGSTUK DER TYPENAFLEIDBAARHEID

23

van deze auteurs blijft het niet bij een constateren, maar wordt tegelijkertijd een nieuwe theorie gelanceerd om het probleem op te lossen. De reden van dit theoriënvormen wordt door Adolf Meyer weergegeven; „Wenn man an der Descendenztheorie festhalten und nicht zur Lehre Linné's vom „infinitimum ens" als dem Schöpfer aller Arten zurückkehren will, dan bleibt in der Tat nichts übrig, als nach neuen Mögiichkeiten der realhistorischen Ableitung kontingenter Arttypen zu suchen" (p. 141). Wij zullen een drietal van deze nieuwe theoriën kort bezien. Böker (Acta Biotheoretica, 1, 1935) heeft de theorie opgesteld van de „Artumwandlung durch Umkonstruktion". Wat hij hieronder verstaat maakt hij duidelijk aan een voorbeeld. In Zuid-Amerika leeft een koekoek-achtige vogel, Opisthocomus cristatus, en in Nieuw-Zeeland een papagaai, Stringops habmptilus, welke beiden een reusachtige krop ter verzameling en vermaling van het voedsel hebben en welke tevens sterk zijn belemmerd in hun vliegvermogen; de krop ligt n.l. voor de borst in plaats van voor de keel, zoals bij de meeste vogels. Over de ontstaanswijze van dit afwijkende type vogel heeft Böker nu de volgende theorie opgesteld: hij neemt aan dat de voorouders van deze vogels voornamelijk insecten en vruchten aten. Als gevolg van een plotselinge klimaatverandering zou nu het nieuwe type zijn opgetreden. Böker meent hierbij drie „anatomische reacties" te moeten onderscheiden: Ie reactie: door de veranderde voedselopneming kregen de dieren een grote S-vormige krop om het nieuwe voedsel te kunnen benutten. Tevens werd de darm verlengd. De sterke kropvergroting veroorzaakte de 2e reactie; het gewicht van het voorgedeelte van het lichaam was namelijk sterk toegenomen. Om dit te compenseren groeide de staart tot een grote lengte uit, terwijl ook de vleugels, in verband met het toegenomen lichaamsgewicht, groter en sterker werden. Ten slotte nog een 3e reactie: de krop werd langs het borstbeen verplaatst in de richting van het zwaartepunt van het dier. Böker meent nu dat deze drie veranderingen niet door mutatie of selectie, dus niet door het klassieke evolutionisme verklaard kunnen worden. De verklaring is slechts te vinden in een „Ganzheitsbezogenes d. h. Sinnwert- und zukunftbezogenes aktives Reagieren". Het dier als geheel past zich dus aan aan het veranderend milieu. Geheel nieuw is deze gedachte niet. Lamarck's beroemde voorbeeld van de giraffe, die een lange hals kreeg omdat hij zoveel van boombladeren hield, komt ongeveer op hetzelfde neer. Afgezien van het zeer speculatieve karakter van deze theorie, zijn er tot op heden maar weinig

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's

1952 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 35

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 200 Pagina's