1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 201
DE GESCHIEDENIS DER GENETICA SINDS 1900
175
De vele bekende genen konden worden ondergebracht in vier ongelijk grote groepen. Alle genen van éénzelfde groep zijn meer of minder sterk aan elkaar gekoppeld. Zij geven, paarsgewijze met elkaar gekruist, evenals in de proef van Bateson, meer of minder grote afwijkingen van de 9 : 3 : 3 : 1 verhouding. Genen, behorende tot verschillende groepen, vertonen in het geheel geen koppelingsverschijnselen. Morgan nam nu aan, dat alle genen van éénzelfde groep in hetzelfde chromosoom liggen. Hoezeer ook de overeenstemming tussen het aantal genengroepen en het aantal chromosomen de opvatting steunde, dat de genen in de chromosomen zijn gelegen, één moeilijkheid moest nog worden opgelost, nl. de vraag, waarom de in hetzelfde chromosoom gelegen genen niet absoluut, doch slechts onvolkomen gekoppeld waren. Het gelukte evenwel aan Morgan voor deze moeilijkheid een afdoende verklaring te geven. Bij zijn verklaring gaat hij uit van het verschijnsel, dat de beide homologe chromosomen tijdens een bepaald stadium van de reductiedeling, niet naast elkaar blijven liggen, maar zich om elkaar heen wikkelen. Dit verschijnsel, dat het eerst door Janssens werd waargenomen, wordt „chiasmatypie" genoemd. In een aantal gevallen breken de chromosomen op het overkruisingspunt en wisselen de afgebroken gedeelten van chromosoom. Een deel van het van de moeder afkomstige chromosoom hecht zich dus aan het van de vader afkomstige chromosoom en omgekeerd. De genen, die aan weerskanten van de breuk liggen, raken dan van elkaar gescheiden. De bastaard van een dihybride kruising b.v. zal dus behalve gameten met dezelfde genencombinaties als oorspronkelijk in de ouders voorkwamen, ook gameten produceren, waarin een gen van de ene ouder gecombineerd is met een gen van de andere ouder. In de F2 zullen dus niet slechts de beide ondervormen optreden, maar ook de beide nieuwe vormen, waarin één eigenschap van de vader gecombineerd is met één eigenschap van de moeder. Het aantal van deze vormen is niet hetzelfde als bij volledige onafhankelijkheid der genen. Hoe vaker tussen de beide beschouwde genen een overkruising plaats heeft, des te groter zal dit aantal zijn. Hieruit volgt, dat men uit de getalsverhoudingen in de F2 het percentage overkruisingen of crossovers kan bepalen. Uitgaande van de veronderstelling, dat de genen lineair in het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's