1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 215
BESCHOUWING OVER KENNIS VAN DE SPIERCONTRACTIE
189
behandeling blootgesteld, zoals bijvoorbeeld het geval is in een Waring Blendor, dan valt de gehele structuur in enkele deeltjes uiteen, die echter in één dimensie nog samenhang vertonen en wel in de richting van de lengte-as. Ze vormen op deze wijze als het ware monomoleculaire draden met een doorsnede van ongeveer 100 A, terwijl hun lengte gelijk is aan de afstand tussen twee Z-membranen. Door middel van dwars- en lengtedoorsneden van spierweefsel, zeer sterk vergroot onder de electronenmicroscoop, is men uiteindelijk tot de conclusie gekomen, dat de gehele structuur bestaat uit uniforme deeltjes, z.g. ovoïden, die de vorm hebben van een rotatieellipsoïde. Deze ovoïden zijn hexagonaal samengepakt, vandaar de hexagonale vorm der fibrillen. Hoogstwaarschijnlijk treden er nog dipoolkrachten op, waardoor deze ovoïden bijeen gehouden worden en een zekere ruimtelijke oriëntatie ontstaat. Uit elasticiteitsproeven is gebleken, dat de bindingsenergie tussen deze ovoïden in de orde ligt van 10.000 cal. Een dergelijk systeem is in zijn lengte-richting stabiel, terwijl in dwarsrichting gemakkelijk desintegratie kan optreden. Wanneer we de M.psoas van een pas gedood konijn door excisie uit het lichaam verwijderen, krimpt deze nog ongeveer 20 %. Hieruit blijkt, dat de spier in rust ook nog onder een zekere spanning staat, hoewel er slechts weinig kracht voor nodig is om deze weer tot zijn oorspronkelijke lengte uit te rekken. Gaan we verder met strekken, dan is plotseling veel meer energie nodig, totdat de spier breekt wanneer de uitrekking 40 % boven zijn oorspronkelijke lengte bedraagt. Tot hier toe gedraagt de spier zich volkomen elastisch en herneemt na ontspannen zijn oorspronkelijke lengte. Geheel anders gedraagt de spier zich indien we enige uren wachten, nadat de dood van het dier is ingetreden. De 20 Jo krimp na excisie treedt niet op, terwijl de spier slechts enige procenten volkomen niet elastisch gerekt kan worden en dan reeds breekt. Dit sinds eeuwen bekende verschijnsel wordt aangeduid als „rigor mortis". Deze veranderingen blijken onmiddellijk na de dood van het dier in te treden en bereiken na enige uren een maximum. Parallel hiermede neemt de oplosbaarheid van het myosine, het belangrijkste eiwit uit de spier af, dat daarbij in een totaal onoplosbare vorm overgaat. Erdös toonde aan, dat gelijktijdig het A.T.P.-gehalte (A.T.P. is adenosine triphosphaat) in de spier afnam en het bleek nu mogelijk, door toevoeging van A.T.P., het myosine weer op te lossen en de soepelheid van de spier te herstellen. Hiermede was de oorzaak van de rigor mortis gevonden: de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's