Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 127

4 minuten leestijd

BOEKBESPREKING

109

de hand van het voorhanden palaeontologisch materiaal met absoluut te bewijzen valt, al erkent hij, dat het feitenmateriaal „vaak wel een belangrijke aanduiding van een klassen-evolutie" geeft (p 16) „Een evolutie b v van de zoogdieren uit de reptielen en van de amphibieen uit de vissen moet, gezien de successies welke door de palaeontologie zijn geconstateerd, met uitgesloten worden geacht Zoals we zagen ontbreken tussenvormen Er is dus zeker geen sprake geweest van een geleidelijke (ik cursiveer, J V ) omvorming m de zm van het klassieke evolutiomsme Eerder moeten wij denken aan een abrupt scheppend ingrijpen van God " (p 21) God wenst nieuwe typen te doen ontstaan, volgens een door Hem bepaald plan, met een door Hem vastgesteld doel Het derde vraagstuk, dat Prof Lever aanroert, is dat van de soortevolutie Hierbij verklaart hij, dat met stelligheid gebleken is, dat de soorten met constant zijn ,,Men kan (dus) zeker volkomen terecht van een soort-evolutie spreken" „Het z g „soortconstantie-dogma" (moet) beslist verworpen worden" (p 16) Prof Lever meent voor enkele fundamentele kenmerken van het creationisme steun te vinden m Gen 1 Uitvoeriger dan hij het m zijn rede doet, vermeldt hij enige, aan de Schrift ontleende hoofdmotieven aan het eind van zijn referaat over „Het vraagstuk der typenafleidbaarheid enz " in Geloof en Wetenschap, 50e jaarg , p 26 Nu ben ik persoonlijke er erg huiverig voor, motieven voor een natuurwetenschappelijke conceptie te ontlenen aan de Heilige Schrift, en speciaal aan een zo omstreden gedeelte als Gen 1 Zo gaat het mij te ver, wanneer Prof Lever uit het feit, dat m het Bijbels scheppingsverhaal gesproken wordt van „het groene kruid", „vruchtbomen", „kruipend gedierte" enz af te leiden, dat God ,,geordende groepen" schiep, en met heterogene massa's van levende organismen Ook valt uit het gezegde, dat God die verschillende groepen schiep „naar hun aard" niet te concluderen, dat ieder dei geschapen groepen ,,typisch" was m de betekenis, die we aan dit woord hechten Want met het „kruipend gedierte" worden m i met alleen de reptielen, maar ook amphibieen en misschien wel mollen en wormen bedoeld De Schrift spreekt de taal van het gewone leven van alle dag, en ik zou uit de woorden „naar hun aard" alleen maar willen concluderen, dat de auteur van het Scheppingsverhaal een goed observator geweest is, terwijl de indeling in groen kruid, zaaddragend gewas, vruchtbomen, vee, wilde dieren enz een mdelmg is in groepen van organismen, waar diezelfde schrijver m de praktijk van het dagelijks leven mee m aanraking kwam, zonder emge systematische betekenis Ik acht het altoos verkeerd, met ons 20e eeuwse denken de Schrift op deze wijze te benaderen, en met onze westerse bril dat oude scheppingsverhaal, dat uit een andere denkwereld voortgekomen is, te lezen en te interpreteren Hoe gevaarlijk het is om, met het oog op het evolutie-vraagstuk, uit bepaalde Schriftgegevens conclusies te trekken, moge worden geïllustreerd aan de hand van een artikel, dat Prof A de Bondt geschreven heeft in „Het Dogma der Kerk" (Groningen, 1949) In dit boekwerk schreef Prof De Bondt het zevende hoofdstuk ,,Schepping en Voorzienigheid" Ik heb ernstige bezwaren tegen allerlei u'tspraken in dit hoofdstuk, en m een persoonlijk gesprek met Prof De Bondt heb ik gelegenheid gehad mijn bedenkingen naar voren te brengen In verband met het vraagstuk, dat ons thans bezig houdt, wil ik hier toch nog even op een bepaalde passage m genoemd hoofdstuk ingaan Op p 229 trekt Prof De Bondt uit het fert, dat m Gen 1 drie groepen van planten genoemd worden gioene planten, zaaddragend gewas, en vruchtbomen, en wel in deze volgorde, de conclusie, dat de Schrift ons duidelijk (' J. V ) laat zien, „dat God bij het lageie begint Dat Hij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 127

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's