Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 196

2 minuten leestijd

170

L. ALGERA

Mendel liet het echter niet bij het onderzoek van de aldus verkregen bastaarden of hybriden (de Fi-generatie), maar kweekte daaruit, door zelfbestuiving der hybriden, de volgende generatie, de F2-generatie en hieruit de Fa-generatie. Van zeer groot belang is verder, dat hij nauwkeurig vaststelde in welke aantallen de verschillende vormen in één generatie voorkwamen. Mendel werkte hoofdzakelijk met de erwt. Hiervan bezat hij verscheidene rassen, die onderling verschilden in bloemkleur, zaadvorm, zaadkleur, vorm van de peul enz. en zich gemakkelijk met elkaar lieten kruisen. De voornaamste, door Mendel in een aantal regels samengevatte, resultaten zijn in het kort de volgende : De Fi-bastaarden gelijken op één der beide ouders en het is onverschillig welk individu als moeder en welk als vader genomen wordt, m.a.w. de reciproke bastaarden zijn aan elkaar gelijk.De zichtbare eigenschap wordt dominant genoemd, de onzichtbare recessief. Deze laatste is niet verloren gegaan, want in de F2-generatie, ontstaan door zelfbestuiving van de Fi-individuen, komt zij weer te voorschijn. Het aantal individuen met de dominante eigenschap verhoudt zich tot het aantal individuen met de recessieve eigenschap als 3 : 1. Indien de ouders in meer dan één eigenschap verschillen, verloopt de splitsing van elk eigenschappenpaar onafhankelijk van de overige eigenschappen, Waarin de ouders verschilden. Deze uitkomsten bewijzen, dat er in de erfsubstantie afzonderlijke eenheden te onderscheiden zijn. Elk dezer eenheden geeft het aanzijn aan een bepaalde, waarneembare eigenschap. De gedachte, dat afzonderlijke eenheden verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling der afzonderlijke eigenschappen der organismen, was ten tijde van Mendel reeds uitgesproken door Darwin. In 1868 stelde Darwin zijn hypothese der intercellulaire pangenesis op. Volgens deze hypothese zouden alle lichaamscellen het vermogen bezitten om kleine deeltjes af te splitsen. Deze deeltjes, gemmulae of pangenen genoemd, worden door het gehele lichaam verspreid. Tijdens de ontwikkeling der geslachtsorganen worden zij uit het gehele lichaam in deze organen verzameld en vormen daar de geslachtscellen. Zij ontwikkelen zich dan in de volgende generatie tot een nieuw organisme. In 1889 komt De Vries op tegen deze hypothese. Evenals Darwin

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 196

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's