Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 90

2 minuten leestijd

72

J. LEVER

De grote Franse zoöloog G. Cuvier (1769—1832) heeft hiervoor de volgende oplossing gegeven, die lange tijd vrijwel algemeen werd aanvaard : gedurende de aardgeschiedenis heeft een aantal ingrijpende natuurrampen, catastrophen, plaats gehad, waarvan de zondvloed de laatste was, en waarbij vrijwel aUe organismen omkwamen. Na zon catastrophe werd de aarde weer bevolkt, uitgaande van de enkele organismen die de dans ontsprongen waren. Dit betekende dus, dat de na zon catastrophe optredende flora en fauna slechts schijnbaar nieuw was. De hen samenstellende organismen hadden vroeger ook wel geleefd, echter slechts in zo geringe aantallen, dat zij niet eerder waren gefossiliseerd. De navolgers van Cuvier wijzigden zijn theorie in dien zin, dat zij aannamen dat bij dergelijke catastrophen alle planten en dieren omkwamen en dat God naderhand weer geheel nieuwe organismen schiep. Zo waren er onderzoekers die honderden catastrophen aanvaardden i3). Zoals gezegd werden de theorieën van Cuvier vrijwel algemeen in de wetenschappelijke wereld overgenomen. Enkelen hadden echter bedenkingen tegen zijn wel wat gewrongen verklaring van het ontstaan der fossielen. Bovendien begon er hier en daar twijfel te ontstaan aan de algemeen-geldigheid van de soortconstantie. En zo kwamen er vrijdenkers, onderzoekers die andere wegen ter verklaring zochten. De tekenen van kenterend tij werden waarneembaar. Een der eersten was Erasmus Darwin (1731—1802), de grootvader van Charles Robert Darwin. Deze, arts van beroep, schreef o.a. de boeken „Zoonomia; or the laws of organic life" (1794—1796), en het na zijn dood verschenen „The temple of nature", in welke boeken de evolutie-gedachte werd verkondigd en tevens getracht werd een verklaring van de evolutie te geven. Merkwaardigerwijze komt deze verklaring op meer dan één punt overeen met die, welke door zijn kleinzoon 65 jaren later zou worden verdedigd. Hij poneerde n.l. dat in de natuur een algemene strijd tot behoud van eigen leven werd gevoerd. In de natuur geldt het „eat or be eaten", een zinsnede welke hij menigmaal met succes tot thema van zijn tafelspeeches koos. Deze strijd selecteert de beter aangepaste individuen, waardoor geleidelijk de organismen van bouw kunnen veranderen.

De opvattingen van Erasmus Darwin vonden in het geheel geen weerklank in de wetenschappelijke wereld, allereerst omdat zijn boeken veelal meer dichtwerken waren dan natuurwetenschappelijke

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 90

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's