1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 318
284
W. J. A. SCHOUTEN
Toch zijn er ook in deze periode wel natuurkundigen geweest die van hun standpunt en toegerust met hun wetenschappelijke kennis het ongeloof hebben bestreden. Ik denk dan vooral aan Philip Abraham Kohnstamm. Het is wat onvolledig als we Kohnstamm physicus noemen. Hij beheerste zowel de filosofie en de paedagogiek als de natuurkunde op een professoraal niveau en bezat bovendien een gedegen theologische kennis. Zijn hele leven heeft hij geworsteld met de betekenis die Gods Openbaring heeft voor het wijsgerig denken. Aan het einde van zijn leven noemde hij zijn levenswerk, de filosofie van het Bijbels personalisme, met de naam; Wijsbegeerte der Scheppingsidee, om daarmee, zoals hij zelf zegt, „tot uitdrukking te brengen het fundamentele verschil tussen wat hier bedoeld is en alle buiten-Bijbelse wijsbegeerte". In zijn talrijke geschriften voert Prof. Kohnstamm de strijd tegen het ongeloof. Voor het onderwerp dat we thans bespreken, is zijn brochure „Het ongeloof en de natuurwetenschap" lo) belangrijk. Hij spreekt daarin ook over de vaak voorgekomen tegenstellingen of botsingen tussen het christelijk geloof en de natuurwetenschap. De anders zo zachtzinnige Kohnstamm doet dan vrij scherpe verwijten aan de theologen. Hij zegt, dat de moeilijkheden dikwijls door hun onbijbelse natuurbeschouwing en hun onbijbelse Schriftbeschouwing ontstaan zijn. Daardoor hebben zij zich vaak tot scheidsmannen opgeworpen bij allerlei wetenschappelijke geschillen die geen directe betrekking hebben op het aanvaarden van Kurios Christos. Kohnstamm zegt, dat de spanningen tussen theologen en beoefenaars der natuurwetenschap hun verklaring vinden in een verschil in geesteshouding tussen beide groepen. Dit uit zich allereerst in een verschil van blikrichting: de natuurwetenschap is als wetenschap op de toekomst gericht, de theologie op het verleden. De onderzoeker die zijn vragen aan de natuur voorlegt, vindt de autoriteit waarnaar hij zich moet richten, in het heden of hij wacht haar uitspraak in de toekomst. De theoloog kan niet experimenteren, daarom heeft voor hem grotere waarde wat het oordeel was van begenadigden in het geloof uit vroegere eeuwen, een Augustinus, een Thomas, een Luther, een Calvijn. Een ander verschilpunt ligt daarin, dat de vragen waarvoor de theoloog gesteld is, veel centraler zijn voor de menselijke levenshouding dan die waarmee de natuurwetenschap te maken heeft. Met een onjuiste natuurkundige hypothese is weinig verloren en de technicus zorgt in het algemeen wel, dat hij zich niet te ver waagt, want hij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's