1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 312
278
W. J. A. SCHOUTEN
Het gaat er, volgens Howe, om, dat de theologie en de natuurkunde, met respectering van het verschil tussen hun opdrachten, elkaar zullen dienen door gemeenschappelijk de kerk te dienen. Hij geeft dan enige voorbeelden om duidelijk te maken, hoe de theologie, in dienst van de kerk, de natuurwetenschap kan helpen. Zij zal wijzen op de beperkte en betrekkelijke waarde van de natuurkundige uitspraken, vooral als het experiment nog geen beslissing heeft gebracht. Omdat de natuurwetenschap — althans volgens een uitspraak van Nietzsche — uit de begeerte naar macht is ontstaan, zal de kerk er de natuurkundigen aan herinneren, dat de macht van de mens over de aarde onderworpen is aan de macht die de Vader in Zijn Zoon over de wereld uitoefent. In de derde plaats moet de kerk in haar profetisch ambt de physica en dus ook de physici steeds weer opwekken te rekenen met Gods heerschappij over deze wereld en de plicht het onderzoek te doen strekken tot Gods eer. Ook kan de kerk niet met een woord-theologie volstaan. Zij moet ook voor de beoefenaars van de natuurwetenschappen een sacramentele plaats zijn, d.w.z. de weg tussen de H. Doop die hun reeds is toebedeeld, en het H. Avondmaal dat zij moeten ontvangen, de plaats waar zij met geloven beginnen om tot geloof te komen. Omgekeerd kan de natuurkunde diensten bewijzen aan de theologie Zij kan, nu in haar wetenschap zulke grote veranderingen optraden, duidelijk maken, dat er geen philosophia perennis bestaat. Zij kan begrippen als tijd, continu en toch discontinu, enz. verklaren. Zij kan wijzen op analogieën : Evenals de physica de subatomaire wereld niet met haar macroscopische begrippen kan beschrijven, zo worstelt de dogmatiek om goddelijke begrippen in menselijke taal uit te drukken. Howe heeft ook een artikel geschreven over de ervaringen, bij de tot dusver gehouden gesprekken tussen theologen en natuurfilosofen opgedaan. Hij betoogt daarin o.a. dat aan de gesprekken een wijsgerige bezinning moet voorafgaan om de standpunten van de partners scherp te formuleren en de grens van hun competenties vast te stellen. Men moet daarbij op zijn hoede zijn, dat de beide standpunten niet zo onwrikbaar worden vastgelegd, dat bespreking feitelijk geen zin heeft. Bij het eigenlijke gesprek moet de plaats van de wijsbegeerte echter zeer bescheiden zijn. De methode moet zo zijn, dat de gesprekpartners elkaar meedelen, hoe het b.v. de laatste 20 jaren in hun wetenschap is gegaan, in het vertrouwen dat datgene wat zij zelf het zwaartepunt vinden, bij de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's