1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 25
GELOOF EN WETENSCHAP OMSTREEKS 1900 EN NU
13
manides blijkbaar het intellectuele leven als geheel, met als hoogste functie het denken of de ratio. (Opmerkelijk is dat het gebruik van psyche voor het denken herhaaldelijk voorkomt en tot allerlei misverstanden voert). Is nu de mogelijkheid tot wetenschap gesteld, dan volgt het stellen van de eis tot Christelijke wetenschap, daar behalve de mogelijkheid ook de zucht tot weten van de Schepper afkomstig is en Hij ons rekenschap zal vragen van ons wetenschappelijk werk. Als object van onderzoek heeft God nu gegeven de Natuur en Zijn Woord. Hierbij voert de ware natuiu"studie niet van God af, maar naar Hem toe, daar Gods Woord de natuurstudie voor dwalingen behoedt. Hoe dit gebeurt, wordt duidelijk als Hermanides zegt, dat wij geloven dat God het leven, dat geheimzinnige verschijnsel, heeft geschapen en dat wij een verdere verklaring niet hebben, niet behoeven en ook wel nooit zullen krijgen. Hiermede wordt de prioriteit van het geloof vastgesteld en de generatio spontanea afgewezen. Deze uitspraak verhindert Hermanides niet om wat verderop het toch weer op te nemen voor het streven om de levensprocessen zover mogelijk mechanisch te verklaren. Dit is daarom voor hem geen tegenstrijdigheid, omdat hij de onderhouding Gods ziet uitgedrukt in de wet van behoud van arbeidsvermogen, waarmede hij tegen \ ") beter weten in het mechanicisme met huid en haar weer binnen ) • heeft gehaald. Verdergaande in dezelfde rede, bij het 10-jarig bestaan door Bakhuis Roozeboom voorgelezen, als plaatsvervanger van Hermanides, wordt nu merkwaardigerwijze opnieuw de vraag naar de grondslag van de wetenschap en het verband tussen de vakwetenschappen gesteld. Dit „fondament" zoekt hij in de veel gesmade en verwaarloosde philosophie. De stelling, dat de wetenschap op het geloof berust, wordt hier blijkbaar geacht op een ander niveau te liggen en bedoelt hij hier met philosophie min of meer een methoden-leer. Deze onderstelling mijnerzijds baseer ik op Hermanides' verdere betoog, waar hij de „eenvoudige oude philosophie van Aristoteles de ware wijsheid en het onwrikbaar fundament der wetenschap" en dus van de vereniging noemt, maar slechts de empirische methode van Aristoteles blijkt te bewonderen. Deze Aristotelische philosophie moet eerst door de scholastiek gezuiverd worden en is nu volgens Hermanidus de philosophie der toekomst. Daar hij de tegenstelling met zijn eerste opzet: de wetenschap berust op het geloof, blijkbaar aanvoelt, eindigt hij met te verklaren, dat de geschriften van Aristoteles een „beslist theïstisch karakter tonen".
J
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's