1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 104
86
J. LEVER
Sedgwick hem in een brief, waarin hij bedankte voor de toezending van een exemplaar van Darwin's hoofdwerk, reeds in 1859, o.a. het volgende : „If I did not think you a good-tempered and truth-loving man, I should not tell you t h a t . . . . I have read your book with more pain than pleasure". Sommige delen „I read with absolute sorrow, because I think them utterly false and grievously mischievous". Sedgwick motiveert dit kort samengevat als volgt. Darwin spreekt van natuurlijke selectie alsof dit uitsluitend een bewust gebeuren is van het reagerende agens en alsof de oorzaken van de ontwikkeling zodoende uitsluitend materieel zijn. Darwin ziet slechts de physische zijde van de natuur. Er is echter ook een, wat Sedgwick noemt, metaphysische zijde. Daarom ziet hij een oorzaak als de wil van God. Dat heeft Darwin genegeerd. Sedgwick vervolgt dan ; „Lastly, then, I greatly dislike the concluding chapter — not as a summary, for in that light it appears good — but I dislike it from the tone of triumphant confidence in which you appeal to the rising generation (in a tone I condemned in the author of the ,Vestiges') and prophecy of things not yet in the womb of time, nor (if we are to trust the accumulated experience of human sense and the inferences of its logic) ever likely to be found anywhere but in the fertile womb of man's imagination". En dan eindigt de oude Sedgwick met te zeggen dat hij slechts op één conditie de toekomst tegemoet kan zien, n.l. ,,that I humbly accept God's revelation of Himself both in His works and in His word, and do my best to act in conformity with that knowledge which He only can give me, and He only can sustain me in doing. If you and I do all this, we shall meet in heaven" 38), Is het bewijs bij en voor Darwin dus slechts ten dele te leveren, bij Huxley gaat dit reeds veel beter. In een verhandeling „On the reception of the ,Origin of species'," afgedrukt in „The Life and Letters of Charles Darwin" 39) stelt hij de vraag hoe het kwam dat in enkele jaren tijds de mening omsloeg. Hij licht dit toe aan de verandering in zijn eigen denkwereld. Hij beschrijft hoe hij als kind is opgevoed in de Christelijke leer, waarbij hem de kosmogonie van de Pentateuch door ouders en onderwijzers was opgedrongen. Op zijn 25e jaar in 1850 had hij zich hiervan na veel strijd los weten te maken. Wat hij overhield en steeds heeft overgehouden was de mening dat wellicht dit universum in den beginne door de wil van het één of ander prae-existerende Wezen was voortgebracht. Verder wist hij het in 1850 niet; hij tastte in het duister.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's