Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 59

3 minuten leestijd

DE ONTWIKKELING VAN EINSTEIN'S EPISTEMOLOGIE

45

M i c h e l s o n te krijgen, kiest E i n s t e i n als volgt: In A en in B bevinden zich gelijkgebouwde klokken. Bij een bepaalde wijzerstand van A wordt een licht- of radiosignaal van A naar B afgezonden en bij B teruggekaatst naar A. Voor een gemeenschappelijke tijd van A en van B moet nu gelden: Als de klok bij A bij versterk van het signaal op 12 uur staat en bij terugkomst op 12.10, dan moet de klok bij B 12.05 aanwijzen, als het signaal daar aankomt. Door deze bepaalde physische handelingen kan men controleren of klokken op verschillende plaatsen gelijk lopen. Zo heeft E. een in de natuurkunde geldige definitie van ,,gelijktijdig" gegeven. Door deze definitie is echter alleen het gelijklopen van klokken in A en in B vastgelegd, als de afstand A—B constant is, dus als de klokken t.o.v. elkaar rusten. Als A en B zich t.o.v. elkaar bewegen, heeft het woord gelijktijdig geen physische betekenis. Dit voorbeeld toont hoe E i n s t e i n s kennistheoretisch standpunt richting heeft gegeven bij de theorievorming. Het heeft hem gedreven tot een zorgvuldige analyse van de physische operaties, die men aanwendt bij de meting van tijd en van lengte. Daarbij ontdekte hij noodzakelijke détails, die tot nu toe buiten beschouwing waren gelaten. Zo bracht zijn analyse aan het licht, dat bij het '.meten van de lengte van bewegende lichamen zowel met klokken als met meetlatten moet worden gewerkt. Vóór E i n s t e i n s analyse was het bij niemand opgekomen, dat de operaties voor het meten van een bewegend voorwerp niet dezelfde zijn als voor een rustend voorwerp — daarom had men vroeger een absolute betekenis aan het lengtebegrip toegekend. Het is geen wonder dat velen in de grondvesting van de speciale relativiteitstheorie een aansporing tot een empirische of positivistische opvatting zagen. De ontwikkeling van de relativiteitstheorie tot de algemene relativiteitstheorie is echter voor de aanhangers van de positivistische opvattingen zeer teleurstellend geweest. Bij de opstelling van de algemene relativiteitstheorie was het veel meer de drang naar generaliseren, die richting gaf, dan de positivistische eisen. De algemene relativiteitstheorie voldoet niet aan de positivistische eis, dat al haar concepties verifieerbaar zijn. Dit heeft een grondige wijziging in E i n s t e i n s wetenschapsopvatting teweeggebracht. De speciale relativiteitstheorie was er in geslaagd de fundamentele

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's

1953 Geloof en Wetenschap : Orgaan van de Christelijke vereeniging van natuur- en geneeskundigen in Nederland - pagina 59

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 342 Pagina's